user_mobilelogo

WaterradWaterrad bij Kasteel StaverdenLangs het Kasteel Staverden stroomt de Staverdense Beek, de naam van een traject van de Hierdense beek. De beek ververst het water van de gracht en dreeft de naastgelegen bovenslagkorenmolen aan. De oudste molen in het stroomgebied van de Hierdense beek was de korenmolen op Staverden, die mogelijk al dateert van 1307. In 1525 kreeg de eigenaar van de molen toestemming om het Uddelermeer af te tappen voor extra water.

De naamloze molen werd in 1923 afgebroken en twee jaar later is de boerderij ‘de Molen’ er naast gezet. De laatste particuliere eigenaar van Huis of Kasteel Staverden was Herman Theodoor s’ Jacob, hij was in 1929 één van de oprichters van Geldersch Landschap. Zijn erven verkochten het kasteel en omringend landgoed in 1963 aan deze stichting.

De Hierdense beek heeft een lengte van ongeveer 23 km, de beek heet in Leuvenum de Leuvenumse beek en in Staverden de Staverdense beek. In de 18e eeuw dreef de beek zes waterradmolens aan.

In 1989 is door de stichting het Gelders Landschap de waterloop en de watergoot van de verdwenen korenmolen vernieuwd en is er een nieuw bovenslagrad aangebracht. Elf jaar later is het waterrad gerestaureerd en werd er, in samenwerking met Nuon, een kleine generator op aangebracht, als dynamo geschakeld. De verwachting was dat 4 kW aan natuurstroom opgewekt kon worden, maar dat bleek een illusie. In 2007 is het rad opnieuw gerestaureerd.

Bron: http://www.waterradmolens.nl

PutterkoppelPutterkoppelDe Putterkoppel is een vroegere leemkuil langs de weg van Niersen naar Uddel. De leem kon vroeger worden gebruikt voor het bakken van stenen, het vervaardigen van aardewerk en urnen, maar ook bijvoorbeeld voor het verharden van wegen.
Tegenwoordig staat onder in de kuil water en lest het wild haar dorst op deze plek.

De naam Putterkoppel wordt als volgt verklaard:
Putter = Put
Koppel = Gemeenschappelijk land
Dus is het de naam van een gemeenschappelijke kuil met een put

Koningin Wilhelmina

In de Putterkoppel is een gedenksteen geplaatst, met een aantal opschriften:
Aan de voorkant: “Putterkoppel
Aan de achterkant “Het Vreebos werd door H.M. de Koningin aangekocht in Mei 1907”.

Verder een nogal dichterlijke tekst:

In ’t hart van dit hoogopgaand bos ligt een kuil.
Misschien eenmaal voor rechtspraak verkoren.
Of wel tot een plek waar der Maalmannen mond.
Zich op ’t stuk van bebossing deed hooren.
Den lande tot heil, ook door hun overleg.
Werd ontginning verbeidt of geboren.

Dr. E. LAURILLARD

Koningin Wilhelmina heeft het Kroondomein in haar regeerperiode aanmerkelijk uitgebreid. Als onderdeel van die uitbreiding kocht ze rond Niersen grote stukken land, die ze vervolgens liet bebossen. Het Vreebos was een bestaand stuk bos temidden van de grote stukken heide die er destijds waren.
In de tijd van Koningin Wilhelmina was de Putterkoppel nog geen moddergat, maar een kuil die keurig werd aangeharkt.

Putterkoppel met schuurtjePutterkoppel met schuurtje. Foto: www.wimvanteinde.nlVroeger stonden in de Putterkoppel een Koepel en een schuurtje. De Koepel is vaak door Koningin Wilhelmina bezocht.
In het juni-nummer van Vaassens Vooruitgang uit 1926 wordt de volgende beschrijving gegeven:

... en ge staat opeens in een boschje van hoog opgaande beuken, onder welks lommer ge een tweetal koepelvormige reuzenprieelen ontdekt. 't Eene is voor de Kon. Familie als deze hier komt vertoeven en 't andere voor de paarden van Hare Majesteit. Een opschrift op een daar geplaatsten steen verkondt den bezoeker 't ontstaan van dit lieflijkst aller plekjes in den omtrek.

Koningin Wilhelmina liet rond 1957 de koepel herstellen. De houten koepel was toen zeskantig, met zware eiken palen op de hoeken met daaraan de horizontale latten. Op de latten was hei gebonden. Het dak was gemaakt van hei, dat met leem werd afgedicht. In het huisje zaten deuren en kleine raampjes. Binnen waren langs de zijkanten bankjes aangebracht.
Nadat de koepels na het overlijden van Koningin-moeder Wilhelmina enkele malen waren vernield werden ze kort daarna afgebroken.

Bron: www.wimvanteinde.nl

Het was een gure avond in de late herfst. In de lucht, die een onstuimige groene zee geleek, zeilden vreemde donkere wolkschepen van wondere gedaante. Een onrustige groene schemering dwaalde om Staverdens Pauwenburcht en legde al maar donkere onzekerheid om de muren en de torenkolossen. Tussen twee korte rukwinden werd een angstige schreeuw van een witte pauw meegevoerd in het bos. De poortwachter zat sufferig te peinzen over ongeziene dingen, toen er schuchter op de poort geklopt werd.

De wachter schuifelde traag naar het kijkgat en zag een jonge vrouw geheel in het zwart gekleed, die smeekte om bij de burchtvrouw te worden toegelaten. Toen de deur open ging, sloop de onzekere schemering met haar mee naar binnen en nadat de wachter haar in een klein vertrek had gelaten, viel ze daar van vermoeienis en uitputting op een bank neer, waar ze stil begon te snikken. De voetstappen van de wachter verloren zich in de gangen.

Eleonora, hertog Reinolds echtgenote, opende de deur en bleef sprakeloos op de drempel staan, niet wetend wat dit bezoek beduiden kon, totdat de ongelukkige jonge vrouw smekend het hoofd tot haar ophief en zij haar pete- en voedsterkind herkende. Nader tredend vroeg ze angstig: "Kind, wat is er met je gebeurd, dat je in een dergelijke toestand hier komt?" - "O moeder," snikte zachtjes de ongelukkige Leonora. "Helaas! Mijn eigen moeder was mij een vreemde. Ik kom u om een toevlucht smeken."

"Kind," sprak de burchtvrouw, terwijl ook zij begon te huilen en Leonora kuste, "daarom hoef je toch niet te smeken. Mijn huis staat immers voor je open, al is het ook nog zoveel jaren geleden dat wij elkaar zagen."

Terwijl een bediende een ijzereGraf LeonoraGraf Leonora op landgoed Staverdenn luchter, waarin twee kaarsen brandden, stil op tafel zette, was de onzekere schemering geweken. "Vertel mij toch, wat is de oorzaak van deze grote smart, je maakt mij bang," sprak de hertogin. Zacht klaagde Leonora nu haar leed uit aan de borst van haar pleegmoeder.

"U weet," snikte zij, "hoeveel mijn ouders tegen hadden op mijn verloving met heer Herman en hoe ze mij die gehate Zweder van Wisch opdrongen. Bij het sterfbed van mijn moeder moest ik beloven die wreedaard te zullen huwen en ik werd helaas zijn bruid, maar mijn droef hart ging immer uit naar Herman. Het huwelijk met Zweder verschoof ik telkens - in de hoop dat er een gunstiger dag voor mij mocht aanbreken. Veel nachten doorwaakte ik schreiende. Altijd verwachtte ik, Herman nog te zien terugkeren. O, ik had hem wel willen gaan zoeken, had ik slechts geweten in welke richting ik gaan moest."

"Inmiddels begon Zweder dat uitstellen te mishagen en hij zond een bende onder Diebald om Kasteel de Wildeborch en mij op te eisen. Er was hem meer aan Kasteel de Wïldenborch dan aan mij gelegen, dat had ik al snel in de gaten. Diebald sloeg het beleg om het kasteel en onze bezetting verdedigde het met grote dapperheid; maar tenslotte zouden wij ons moeten overgeven, wijl onze voorraad leeftocht uitgeput raakte."

"'t Gebeurde op een ochtend, terwijl ik in mijn vertrek Jezus om uitkomst bad, dat mijn gebed werd verstoord door een groot en vreselijk rumoer. Er gingen mij velerlei gedachten door het hoofd. Snel haastte ik mij naar het binnenplein en zag daar tot mijn schrik een zwaar bewapend ridder met klein gevolg. Ik dacht dat het Zweder was, die de burcht reeds bemachtigd had. Ik treed hem nader en bevend van angst val ik hem voor de voeten. 'Heer,' zeg ik, 'neem de burcht en mij, maar ik bid u, spaar mijn dappere mannen.' - 'Bij alle heiligen zo zij het,' hoor ik hem antwoorden. Maar ge kunt begrijpen hoe groot mijn vreugde was toen die kloeke ridder het vizier opsloeg en ik mijn Herman herkende. Hij had met zijne kleine ruiterbende Diebald en de zijnen verjaagd en ons ontzet. Mijn mannen droegen hem onder gejuich de zaal binnen. Dat was een onvergetelijke dag. Ik zond u een bode van wie u zult vernomen hebben dat Herman en ik heel kort daarop met elkaar trouwden."

"Mijn gehavend kasteel en mijn uitgeputte bedienden stemden niet tot uitbundige vreugde, dus bleef het bij een klein feest van meer huiselijke aard. Wellicht hebt u het mij kwalijk genomen dat ik u niet uitgenodigd heb. Geloof me, als ik iemand had uitgenodigd, was dat u in de eerste plaats geweest, maar wat zal men feesten bij puinhopen en een lege provisiekelder."

"Niettemin, wij waren zeer gelukkig. Helaas het zou maar kort van duur zijn. Vorige week ging Herman op jacht, slechts een paar knapen vergezelden hem. Ik wachtte op hem bij het middagmaal. Het werd zo laat, zo vreselijk laat. Mijn hart had de hele dag iets angstigs geweten, en toen hij niet op de afgesproken tijd thuis kwam, voelde ik dat er iets ontzettends gebeurd moest zijn."

Leonora's smart barstte op eens zo hevig uit, dat het geruimen tijd duurde aleer ze haar verhaal vervolgen kon. Toen ze wat uitgehuild was ging ze voort:

"'s Avonds in het donker zag ik door het bos fakkels naderen. Ze droegen hem op een baar van takken. Een bende moordenaars, heimelijk aangevoerd door Zweder, had hen in het woud overvallen en Herman onverwachts met een speer ruggelings doorboord. Hij leefde nog toen ik hem in mijn armen sloot, prevelend noemde hij mijn naam, als een laatst vaarwel... en stierf. Ik schijn wel onder een zeer noodlottig gesternte geboren. Mijn leven is in jammer voorbijgegaan en ik voel dat deze gebeurtenis de genadestoot geweest is voor dit arm gepijnigd hart."

"De volgende dag al was Zweder voor de poort, om Kasteel de Wildenborch op te eisen. Wat waarde hechtte ik aan mijn leven en mijn burcht. Mijn smart was al te groot. Het slot, nog niet geheel hersteld na het laatste beleg, had toch ook niet veel weerstand kunnen bieden. Zweder trad er op als heer en meester. 's Avonds van diezelfde dag liet hij mijn lieve Herman reeds begraven. Ik moest te paard de rouwstoet volgen."

"Maar toen men de terugweg zou aanvangen, werd mijn hart van zulk een oproerig verzet tegen de dwingeland bevangen, dat ik van mijn paard sprong, inderhaast een handvol zand van Hermans graf nam en in allerijl hierheen vluchtte. Dagenlang doolde ik in regen en kou over de Veluwe. Ik bad de goede God, bij u een veilige toevlucht te mogen vinden. Ach, ware ik eigenlijk maar omgekomen. Ik kan het leven niet meer dragen. Het is erger dan de dood."

Hier eindigde zij haar droef verhaal. De goede hertogin vermocht haar niet te troosten. Haar laatste levensdagen sleet Leonora op Kasteel Staverden, het waren er niet vele. Haar jong leven was zozeer verwoest dat het al snel verkwijnde en op een grijze morgen groef men haar een stil graf onder de oude bomen achter het slot. Die plek heet nog Leonora's Poll. Dikwijls zag men haar geest daar 's nachts nog klagend rondwaren, of zand nemen van Hermans graf. En wie in het duister de zwarte vrouw van Staverden in het slepend rouwgewaad ontmoet, gaat angstig en diep bewogen terzijde, om haar voorbij te laten.

Bron: "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921. p. 74-84.

Er was eens een boer uit Nunspeet die in Wiesel hakhout kwam halen. Maar toen hij de wagen had volgeladen en huiswaarts wilde keren, kon zijn paard niet voort en merkte hij dat het dier ziek was geworden. Zo kwam het dat hij zijn paard in Wiesel liet en een veearts ging halen, na eerst aan een daar wonende boer verzocht te hebben de wagen met hout voor hem naar Nunspeet te rijden. Deze boer zond zijn knecht met zijn paard. De knecht spande een zwart paard voor de wagen en reed naar Nunspeet.

In de nacht keerde de knecht op het losse paard weer huiswaarts. Een enkele ster stond te pinken tussen wat zacht zwevende tere nachtwolken. Het was stil overal. De dorpjes en buurten welke hij door reed, lagen al te slapen tegen de heuvelhellingen. Het ketsen van de hoeven sloeg de stilte stuk en in het bos schreeuwde de bosuil: "Krie-oe, 'k krieg oe." Dat hoorde de boerenknecht wel, maar hij was een onverschillige jongen en hij schreeuwde terug, zodat de slapende echo's er van wakker schrokken.

Hoge DuvelRijksmonument Hooge Duvel, jachtopzienerswoningDiep in de nacht kwam hij eindelijk bij 'Hoge Duvel'. Hij herinnerde zich de verhalen die hij gehoord had over de boze geest Ossaert die daar woonde en een plaag was voor heel de omtrek, totdat de heilige monnik - die aan het Uddelermeer woonde - met een ijzeren kruis de kwelduivel teruggedrongen had op 'Hoge Duvel' en waar hij 99 jaar moest blijven.

De boer bij wie de knecht diende had de boze Ossaert wel in de struiken horen snurken en ook wel een blauw licht op 'Hoge Duvel' gezien. En de buurman had er eens honend geroepen:

"Griepke, griepke grauw
a'j' me griepen wilt, griep me dan gauw."

Toen was er een groot zwart monster met vreselijke zwaarte boven op hem gesprongen. Hij had de klauwen in zijn rug gevoeld en dacht te zullen sterven. Hij had gelopen met de moed der wanhoop totdat het monster ineens losliet, omdat het niet verder dan 'Hoge Duvel' kon komen.

De knecht geloofde van al die verhalen 'helemaal geen zak' en had er om gelachen. Nu hij de berg opreed wilde hij toch wel eens zien, wat er van al die onzin waar was. Gebeurde er iets, dan was het nog niet erg. Als hij aan de andere kant de voet van de berg bereikt had, zou de kwelgeest hem toch moeten loslaten. En boven op de berg gekomen riep hij uit alle macht:

"Griepke, griepke grauw
a'j' me hebben wilt, griep me dan gauw."

Er sloeg een vlam uit de weg omhoog en een dreunende klap volgde. Het paard steigerde hoog, zodat de jongen - als hij een minder goed ruiter was geweest - er af gevallen zou zijn. Tegelijkertijd zag de knecht achter zich een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Hij zette het paard in draf en met de oren in de nek stormde het met zijn berijder de berg af. De boze Ossaert bleef achter.

Wel was de ruiter wat geschrokken; maar zich bij de eik aan de voet van de berg veilig achtend, nu het monster hem niet verder volgen kon, keerde hij zich op het paard om en lachte de kwelduivel honend uit. Daar stootte de geest een woedend gebrul uit dat ver in het rond weerklonk en uit het bos dat ter weerszijden van de weg gelegen is en 'De Roode Heggen' genoemd wordt, sprongen een aantal weerwolven met groen lichtende ogen te voorschijn. Nu was het lachen uit en de roekeloze knecht werd door een grote angst bevangen.

Het schichtige paard stormde als een wervelwind over de weg. De kop vooruit gestrekt, de neusvleugels trillend van angst. De galop van zijn neerbeukende hoeven sloeg de kluiten en keien uit de grond. Het werd een duivelse rit op leven en dood. In duizelingwekkende vaart sleurde het paard zijn berijder langs takken en struiken en de man zette het tot nog grotere spoed aan, tegelijk doodsangsten uitstaande, dat de krachten van het vermoeide dier uitgeput zouden zijn vóór het einde van de weg.

De weerwolven huilden als een dolle verschrikking vlak achter hen aan; maar het paard won eindelijk iets op de achtervervolgers, die een vreselijk gehuil aanhieven en de vervolging sneller en sneller voortzetten. Nu scheen het paard uitgeput te zullen neerstorten. Telkens struikelde het, maar schoot dan weer vooruit. In de verte zag de ruiter de veilige hoeve al, maar de weerwolven wonnen. Hij hoorde hun gehuil steeds dichterbij komen en voor het laatst zette hij zijn trouwe paard tot uiterste spoed aan. Het dier wankelde, struikelde weer; de ruiter hield het nog op. De takken striemden de jongen in het gelaat. In een razende vaart reden ze het erf op en met de laatste en uiterste krachtsinspanning, droeg het kloeke dier zijn berijder tot op de deel. Het was net op tijd.

Toen de knecht de grote deeldeuren snel dichtsloeg en er de boom voorschoof, waren de spookwolven op geen twee vadem meer van hem af. Hij hoorde hen buiten janken. Het trillende paard zag met verwilderde ogen rond of het zijn eigen stal niet herkende en het was zo nat bezweet, dat het wel leek of het uit het water kwam. De knecht klopte het arme dier vriendelijk en dankbaar op de hals, verzorgde het goed en ging toen naar bed.

Maar de volgende morgen vond de boer zijn zwarte paard dood op het stro liggen. 's Nachts, toen iedereen sliep, had - ondanks dat er een paardenkop boven op de stal stond - de nachtmerrie toch nog binnen weten te komen, om zich te wreken op het onschuldige dier. De boer ontstak in hevige woede toen zijn knecht hem het verhaal van de nachtelijke rit deed en hij zond hem om zijn roekeloosheid op staande voet weg.

Bron: "Veluwsche sagen" geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné. Uitgegeven te Amsterdam bij Scheltens & Giltay, 1921, p. 102-111.

Wie is online?

We hebben 28 gasten en geen leden online