user_mobilelogo

Hij wordt op 22 februari 1877 in Batavia geboren. Hij trouwt met een Duitse vrouw: Johanna Doretta Thunert, die op 15 juli in Monjou is geboren. Heijligers wordt leerling van de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en van de Academie des Beaux-Arts en het atelier Cormon in Parijs. Hij werkt in Den Haag, Parijs en Munchen en vestigt zich omstreeks 1903 in Elspeet. Hij koopt van boer De Bruin een perceel grond en laat daarop de kapitale villa Adon bouwen. In september 1902 wordt de eerste steen gelegd door Lubbertje de Bruin, een verpleegstertje en dochter van de verkoper van de grond. Deze steen is nu nog terug te vinden in een van de muren van villa Adon, nu pension Irene, Zeisweg 9 in Elspeet. Villa Adon wordt door de familie Heijligers gebruikt als woonhuis en pension. Oude prentbriefkaarten noemen het huis de ene keer Villa Adon en een andere keer Pension Adon. Enkele pensiongasten zijn terug te vinden omdat ze vermeld staan in het bevolkingsregister van Nunspeet. Vanuit Elspeet trekken Heijligers en zijn vrouw er wel op uit. Zoon Arnold Hektor wordt op 26 mei 1910 in Duitsland geboren, in Haie bij Cleve. De hoogbejaarde Heintje Smit uit Elspeet heeft me verteld, dat Naar reeds lang overleden oudere zuster Maria Smit als dienstbode bij de familie Heijligers heeft gewerkt.
Op 22 mei 1914 vertrekt het gezin Heijligers naar Katwijk aan Zee waar het woont van 1914 tot 1915. De daarop volgende woonplaatsen van de familie zijn: Blaricum 1915 tot 1916, Laren 1916 tot 1924, Den Haag 1924 tot 1936, Brussel 1936 tot 1947, Den Haag van 1947 tot 1950 en tenslotte Nice van 1950 tot 1967. Hendrik Heijligers sterft op 30 juli 1967.
Het oeuvre van Heijligers omvat: portretten, boeren- en vissersfiguren, boereninterieurs, vissers aan kusten, stillevens enz.

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

In de periode 1880-1930 hebben twee kunstenaressen het gepresteerd om het dertig tot veertig jaar in Elspeet uit te houden, namelijk: Miss Blanche Douglas Hamilton en Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga. Twee bijzondere vrouwen. In de volksmond aangeduid als `de juffer' en `de freule'. Twee kunstenaressen die buiten Elspeet volkomen onbekend zijn en wier werk in de kunstwereld c.q. de kunsthandel geen enkele betekenis heeft. Toch is het interessant om over deze vrouwen te schrijven, omdat zich rond hen een aantal personen beweegt, dat zeer nauw contact met hen heeft en wier leven in meerdere of mindere mate door hen is beinvloed.
Ik doel hier op: Maria Mouw, Willem Mouw en Liesbet Verwey. Over Maria Mouw werd in het hoofdstuk over Miss Blanche Douglas Hamilton reeds een en ander verteld. In dit hoofdstuk over Jonkvrouw Van Eysinga zullen behalve deze schilderes, ook Willem Mouw en Liesbet Verwey wat nader belicht worden.
Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga Deze schilderes ondertekent haar werk met 'Irma' van Eysinga of 'Johanna' van Eysinga. Haar vrienden noemen haar 'Ima'. En de Elspeetse bevolking spreekt over `de freule'. Ik noemde haar een bijzondere vrouw. Om dat te begrijpen, moet men iets van haar levensgeschiedenis kennen. Ephraima Henriette Johanna van Eysinga wordt op 12 februari 1881 in Noordwijkerhout geboren. Haar vader is daar burgemeester. Op haar derde of vierde jaar verblijft zij met haar ouders in Duitsland. Ze wordt daar ernstig ziek, herstelt, maar bljkt dan volledig doof te zijn. Vanwege deze zware handicap zal vanaf haar vierde jaar haar opvoeding en latere opleiding tot kunstenares uitsluitend geschieden door priveleraren. Van haar vierde tot haar tiende jaar krijgt zij privelessen in Berlijn, Dresden en 's Gravenhage. Van haar tiende tot haar veertiende jaar ontvangt ze lessen in Bourg la Reine.Van haar veertiende tot haar achtiende jaar krijgt ze haar eerste tekenlessen van Th. van Hoytema. (Zie: Wie is dat? 1938.)
Na 1899 reist ze waarschijnlijk. Volgens Scheen's Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950 krijgt ze in 1901 les van een onbekende schilder in Dresden. Van 1907 tot 1908 volgt ze de lessen van Frits Jansen in Den Haag. Deze schilder krijgt o.a. vermaardheid om de vele jonkvrouwen en jonkheren, die hij onder zijn leerlingen telt. Later wordt hij onderdirecteur van de Haagse Academie. In 1909 woont Irma van Eysinga een jaar op Texel om er schapen te schilderen. Ze heeft ooit gezegd: "Schapen schilderen is mijn vak." Van 1910 tot 1912 schildert ze onder leiding van Mr. Dr. R.S. Bakels en krijgt zij `raadgevingen' van een aantal andere schilders. In deze periode maakt zij reizen naar Italie, Frankrijk, Denemarken en Zweden. De volkomen dove kleuter heeft zich door haar vele prive-leraren, haar aangeboren intelligentie en haar enorm doorzettingsvermogen ontwikkeld tot een kunstenares die kan tekenen, schilderen, aquarelleren en lithograferen. Verder maakt ze als kunstnijveraarster vooral naaldwerk.

kerk1  P1010005  P1010006  kerk2

Een aantal schilderijen van mevr. Eysinga

Het is niet na te gaan, wanneer 'de freule' zich in Elspeet vestigt. Maria Mouw stuurt op 4 januari 1913 vanuit Den Haag een `nieuwjaarsbrief aan haar familie. Ze logeert dan bij de familie Van Eysinga, Wagenaarweg 13. Maria's kennismaking met Jonkvrouw Van Eysinga en haar moeder, de weduwe Van Eysinga via Miss Blanche Douglas Hamilton zal zeker enige jaren voor 1913 liggen. Waar de familie Van Eysinga in die jaren in Elspeet logeert, is niet bekend. In 1915, op haar 34ste jaar, vestigt de schilderes zich aan de Kromme Weg in Elspeet. Later verhuizen moeder en dochter naar de prachtige villa Sterrenhovenken aan de rand van de Elspeetse bossen en omgeven door heide- en graanvelden. `Sterrenhovenken' blijft voor 'de freule' haar vaste onderkomen tot aan haar dood in 1958. De wintermaanden worden meestal doorgebracht in het ouderlijk huis in Den Haag. Het bevolkingsregister van Nunspeet geeft bijvoorbeeld aan dat moeder en dochter Van Eysinga van 10 mei 1919 tot 4 november 1919 in Elspeet wonen. Later vindt men in- en uitschrijvingen van de familie Van Eysinga niet terug in het bevolkingsregister. In de wintermaanden wordt `Sterrenhovenken' beheerd door de werkster/kookster Geertje Spek. Deze vertrekt op 5 februari 1938 naar Apeldoorn.
Elspeet heeft waarschijnlijk nooit een inwoner gehad, die 'de freule' in ontwikkeling evenaart. Ze spreekt zeven talen: Nederlands, Frans, Duits, Engels, Zweeds, Hongaars en Italiaans. Het `spreken' van deze talen moet men opvatten als het zich schriftelijk kunnen uitdrukken in deze talen, omdat de `freule' doof is en haar klankentaal alleen voor enkele goede vrienden verstaanbaar is. Irma van Eysinga wordt lid van de kunstenaarsvereniging Pulchri Studio' in Den Haag. Ze houdt exposities, waarbij nogal wat van haar werk naar het buitenland wordt verkocht. Ze doet mee aan de Tentoonstelling `Onze Kunst van heden' in het Rijksmuseum te Amsterdam in de winter 1939-1940. Onder de no's 739/740 worden de schilderijen Agrigento (Sicilie) en Spaanse peper in vaas vermeld. Het Centraal Museum in Utrecht heeft werk van haar in bezit. In de omgeving van Elspeet schildert zij vooral: houtskoolbranderijen, herders met schapen en portretten van vrienden en bekenden. Enkele van haar schilderijen en portretten heb ik kunnen achterhalen: Willem Mouw met schapen, Houtskoolbranderij, Portret van Maria Mouw e.a. Het zijn stukken waarvan ik de lunstwaarde' niet kan vaststellen, maar die ongetwijfeld voor de huidige bezitters een grote gevoelswaarde hebben en waarvan de geldswaarde op veilingen etc. niet al te groot is.
Bij mijn onderzoek naar de kunstenaars die als inwoners, bijwoners of passanten in een bepaalde periode in een zekere regio werkzaam zijn geweest, gaat het mij in de eerste plaats om de `geschiedenis' van deze mensen. Wat is er na een eeuw nog over hen terug te vinden? Een oordeel over hun kunst geef ik niet. Hoogstens citeer ik wat deskundige kunstcritici over hun kunst geschreven hebben. 'De freule' is een eenvoudige en gelovige vrouw. Haar handicap maakt het echter moeilijk voor haar om nauw contact met de Elspeetse bevolking te onderhouden. Haar beste vrienden zijn de dominee, de Engelse kunstenares Miss Blanche Douglas Hamilton, haar dame van gezelschap mej. Liesbet Verwey, Maria Mouw en haar broer Willem Mouw, de schaapherder.
Liesbet Verwey Ik kom nu terug op de vraag die ik stelde in mijn verhaal over de Engelse schilderes Miss Blanche Douglas Hamilton: waarom Liesbet Verwey (1891-1948) jarenlang een zo'n betrekkelijk nederige betrekking als 'dame van gezelschap' heeft bekleed, terwijl haar zus Mea in kennis en ondernemingsdrang tot ongekende hoogte stijgt. Liesbet is de oudste dochter van Albert Verwey en Kitty van Vloten. Op haar volgt de zeer begaafde Mea, dan komen er nog twee zusj es, Gonda en Martha, en tenslotte nog drie broers. Albert Verwey leeft, voor hij in 1925 professor wordt, van zijn pen. Dat kan zonder problemen, omdat zijn vrouw bij het huwelijk nogal wat geld heeft ingebracht. Alle zeven kinderen laten studeren, vooropgesteld dat zij er de aanleg voor hebben, is voor het gezin Verwey financieel niet haalbaar. Mea is hoogbegaafd. Ook het vierde zusje Martha heeft een goede studiezin. Gonda is meer artistiek aangelegd.

De opleiding van de oudste dochter, Liesbet, geeft het gezin wat zorgen. Liesbet kan goed leren, maar doet er niet veel moeite voor. Ze bezoekt de Meisjes HBS in Leiden en wordt daarna leerling van een kostschool in Clausthal in de Harz, van begin september 1908 tot begin maart 1909. Op deze kostschool worden meisjes uit gegoede kringen op een plezierige en ontspannen wijze voorbereid op de taken en verplichtingen, die zij als huisvrouw te vervullen zullen krijgen. De gehele schoolhuishouding wordt door de leerlingen verzorgd: de maaltijden, het schoonhouden van de school enz. Er worden lessen in algemene ontwikkeling gegeven; er wordt op de kleding van de meisjes gelet en er worden bijvoorbeeld danslessen gegeven. Een heerlijke tijd voor Liesbet! In de (Zweedse) correspondentie van moeder Kitty met een Zweedse vriendin komen de toekomstplannen van haar oudste dochter nog al eens ter sprake. Begin maart 1909 moet Liesbet 'flunk geworden' uit de Harz thuiskomen. De kosten van de studie van de twee zussen onder haar maken het noodzakelijk dat Liesbet een baan gaat zoeken. Voordat Liesbet omstreeks 1921 bij de Van Eysinga's in dienst treedt, is ze werkzaam bij diverse gegoede families in Nederland en Engeland. Ze werkt meestal in gezinnen, waarvan bijvoorbeeld de moeder ziek of afwezig is en waarbij zij in het gezin de status van een gewaardeerde huisgenote ontvangt. Met haar goede verstand en haar behoorlijke schoolopleiding gaat zij intussen verder met haar studie. Ze studeert Zweeds en heeft vertaalambities in die richting. Verder verlangt ze er naar om te gaan reizen. Vooral Zweden trekt haar.
Uit een brief uit 1913, gericht aan haar vader, valt op te maken dat ze nogal tobt over haar gebrek aan `speciale talenten'. Ze vergelijkt zich waarschijnlijk met de twee haar opvolgende zussen: de leergierige Mea en de artistieke Gonda. Wat moet ze?De traditionele beroepsmogelijkheden uit die tijd - het onderwijs en de verpleging - trekken haar niet. En een gelukkig huwelijk zit blijkbaar ook niet in het verschiet! Op haar brief uit 1913, die ze aan haar vader richt, krijgt ze van hem een opbeurend antwoord:"Je hebt talenten, die te ontwikkelen zijn en dan moet het ook. Ze liggen m.i. niet in het studieleven, maar in het maatschapppelijke, maar ook daar moeten ze geoefend worden. Er is eigenlijk niets waar de wereld tegenwoordig meer behoefte aan heeft dan aan menschen zooals jij er een wezen kunt, die namelijk erop zijn aangelegd om niet alleen mee te voelen, maar tegelijk mee te doen, en dan nog wat geest over te houden."
Hoe Liesbet Verwey met Jonkvr. Van Eysinga in contakt is gekomen, is niet te achterhalen. Ik veronderstel, dat de kennis van de Zweedse taal een rol heeft gespeeld bij het aanvaarden van de betrekking van 'dame van gezelschap' (ca. 1921). De dove kunstenares Ephraima van Eysinga krijgt in Liesbet Verwey een ideale begeleidster. Liesbet is door haar afkomst, studie en ervaring geen ondergeschikte van de freule, maar een 'dame van gezelschap', met wie zij op basis van gelijkheid kan omgaan en die een vriendin voor haar kan zijn. Liesbet Verwey van haar kant voelt zich bij de Van Eysinga's kennelijk thuis. Ze kan aardig tegemoet komen aan haar ambitie tot reizen en mogelijk heeft zij in deze betrekking het talent, waar ze volgens haar vader over beschikt ("niet alleen mee voelen, maar tegelijk mee te doen, en dan nog wat geest over te houden"), in praktijk kunnen brengen.
In 1925 maakt freule Van Eysinga een reis naar Zweden. Liesbet Verwey zal haar zeker vergezeld hebben. Ze logeren bij de toen al wereldberoemde Selma Lagerlof op het landgoed Marbacka in Dalarne. Selma Lagerlof krijgt grote bekendheid door haar boeken o.a. Costa Berling, een domineesroman, door haar Christuslegenden en door haar kinderboek Nils Holgerssons wonderbare reis. In 1919 ontvangt ze de Nobelprijs voor de letterkunde. Voor een van de heruitgaven van Nils Holgerssons wonderbare reis maakt freule Van Eysinga alle illustraties (litho's) tot grote tevredenheid van de Zweedse schrijfster. In 1926 volgt een tweede bezoek bij Selma Lagerlof.
In 1928 komt Selma Lagerlof haar vriendin in Elspeet bezoeken. Ze wil Nederland leren kennen, de prachtige woonplaats van 'de freule' ontdekken, maar vooral ook kennismaken met de bijna legendarische schaapherder Willem Mouw. Selma Lagerlof schrijft over haar bezoek aan Nederland, in casu Elspeet, een boeiend verslag in een Zweedse Courant van 1 augustus 1929. Freule van Eysinga of Liesbet Verwey heeft dit verhaal in het Nederlands vertaald en het aan de N.R.C. aangeboden. Het bijzonder boeiende reisverhaal is in extenso afgedrukt in het boekje van D. Bakker Elspeet in woord en beeld (1989). De ontmoeting in Elspeet tussen de Nobelprijswinnares Selma Lagerlof, de kunstzinnige en begaafde freule en de wijze en vrome schaapherder Willem Mouw (met nog geen zes jaar lagere school) moet een zeer bijzondere zijn geweest! De `faam' van Willem Mouw doet niet onder voor de roem van beide vrouwen. Zelf moet ik bij dit bezoek denken aan het verhaal van de Koningin van Scheba, die Salomo's (Willems) wijsheid komt onderzoeken!
Willem Mouw Willem Mouw (1887-1973), het zesde kind van Willem Mouw en Petertje Mouw-Mouw, is beslist de meest gefotografeerde herder van Nederland. Foto's van Willem met zijn schapen en zijn honden zijn over de gehele wereld verspreid. Selma Lagerlof schrijft over hem: "De herder is lang, smal en recht. Hij draagt zwarte kleren, zoals dat in Gelderland hoort en op zijn hoofd heeft hij een kleine zwarte ronde pet." Willem Mouw is een diep gelovig mens, die het `grote gebod' - God liefhebben en de naaste als jezelf - in praktijk probeert te brengen. Uit enkele bewaard gebleven brieven komt zijn liefde voor de samenleving waarin hij verkeert sterk naar voren. Hij mist zijn lieve zus Marie als die in Den Haag bij de Van Eysinga's logeert en hij mist `de juffer' als deze in Engeland is. Hij is geen dweper en geen dromer, evenmin een sentimentele romanticus. Hij bestuurt met zijn broer Gerrit en zijn zus Marie het ouderlijk bedrijf voortreffelijk. Hij is zeker een zakelijk en praktisch ondernemer. In zijn brieven aan zijn zus Marie schrijft hij over de vleesprijzen van de schapen en de varkens, over de stroprijs, over de bijen en over de jacht. Graag zou hij voor de verjaardag van de `juffer' een stuk wild willen hebben, maar de jacht is gesloten en hazen vangen met Bles de hond gaat ook niet, want de hond is loops en moet vastgehouden worden. En de hond van Jan van Ree heeft al drie vogelstrikken omgelopen. Willem Mouw trekt veel mensen aan.
`t Gebeurt vaak, als hij 's avonds met zijn kudde huiswaarts keert, dat hij met evenveel vrouwen, mannen, meisjes en jongens als schapen thuis komt. Hij heeft een bijzondere kijk op de mensen en op het leven. Hij is wijs. Hij leeft dicht bij God en de natuur. De bijbel is zijn inspiratiebron. Ook 's avonds komen veel mensen bij hem op bezoek om te praten. Hij is dol op kinderen. Hij is zelf nooit getrouwd geweest.
Hij geeft 40 jaar lang elke zondag van 1 tot 2 uur `zondagsschool'. Hiervoor ontvangt hij op 18 april 1969 de eremedaille in zilver verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Ter gelegenheid van de formatie van een tweede kudde schapen in de gemeente Nunspeet (1990) schrijft Fred Lammers in Dagblad Trouw o.a. over de legendarische schaapherder Willem Mouw. Hij laat de zojuist aangestelde schaapherder Willem Schouten zeggen: "Willem Mouw, een oom van mijn collega Kos was tot 1954 herder in Elspeet. Een prachtig mens in zijn donkere kostuum, een zwart zijden petje op het hoofd op zijn oude fietsje. Hij was zeer gelovig, maar zondags na de kerkdienst ging hij toch met zijn schapen de hei op. Daar hield hij dan zondagsschool (Ook in de winter? K.R.). De kinderen kwamen uit verre omtrek naar hem toe om te luisteren naar de prachtige bijbelverhalen die hij op de hei vertelde. Veel mensen wisten hem daar te vinden."
Prinses Wilhelmina bezoekt hem wel eens. Dan trekt Willem het veld in om ergens een geschikt plekje te vinden waar H.M. een schilderstuk kan maken. Willem is loninklijk adviseur' en mag in dit boek over de kunstenaars van de Noordwest Veluwe niet ontbreken!
Fred Lammers schrijft in Trouw van 10 december 1990: "Prinses Wilhelmina onderhield in de tijd dat ze koningin was al nauw contact met Mouw. Ze zocht hem regelmatig op. Op de Elspeter hei zijn vele theologische gesprekken gevoerd tussen die twee. Mouw liet zich daar nooit over uit. Alleen heeft hij eens verteld dat, toen Wilhelmina op een zondagmiddag op de hei schilderde, hij haar verwijtend vroeg of ze de andere dagen van de week geen tijd had voor die liefhebberij. De zondag was daar in zijn ogen niet voor. Mouw was niet brutaal, maar zei recht voor zijn raap wat hij dacht en Wilhelmina accepteerde dat van hem."
Handschrift van Willem Mouw (1913). Herkomst: brieven uit het bezit van Mw. Geertje Mouw-Wieberdink te Elspeet.
Een andere versie vinden we terug in het artikel dat Selma Lagerlof over haar bezoek aan Elspeet schrijft: "De volgende dag was een zondag. Weer gingen wij naar de hei en namen, eigenlijk zonder er bij na te denken onze schetsboeken mee. Maar dat hadden wij niet moeten doen. De herder keek bedroefd. Na een ogenblik haalde hij een oude, geheel versleten bijbel uit zijn zak, sloeg een blad op en las: Tes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren Uw Gods, dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig ander van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is'. Die vreemdeling was ik. Hij wees naar het schetsboek. Dat was een onverwacht begin, wat ons echter niet verhinderde, om later goede vrienden te worden." (Uit: Elspeet in woord en beeld door D. Bakker.) Gezien deze twee bijna identieke verhalen, lijkt mij de legendevorming' om Willem Mouw al begonnen! Freule Van Eysinga is niet wereldvreemd. Op 26 augustus 1922 wordt er een ingezonden stuk van haar opgenomen in Nunspeets Nieuws- en Advertentieblad: "Adres van Freule Van Eysinga en andere inwoners van Elspeet, houdende verzoek de ontginningen van de heide ten Noorden van Elspeet in de richting Stakenberg stop te zetten." Ten aanzien van het adres van Freule Van Eysinga e.a. merkt de heer Huisman op dat men aan de daarop geplaatste handtekeningen niet te veel waarde moet hechten, aangezien er meerderen zijn die reeds hun handtekening wensen terug te nemen. Hij geeft B & W het advies hiermee rekening te houden. Ook bij B & W zijn brieven ingekomen, waarbij de handtekeningen worden teruggenomen. In het verslag van de Raad van Ermelo van 8 september 1922 (Zie: Nunspeets Nieuws- en Advertentieblad van 16 september 1922) staat: "Ingekomen is een adres van Freule Van Eysinga en andere ingezetenen van Elspeet, waarbij zij bezwaren inbrengen tegen verdere ontginning van heidegronden in de richting van de Stakenberg ter voorziening van de werkloosheid. Naar aanleiding van dit adres delen B & W mede, dat de daarin ontwikkelde bezwaren de voile aandacht van hun College hebben en zij deze bezwaren grotendeels onderschrijven. Zolang echter de werkloosheid blijft heersen in die mate als than het geval is, is het onmogelijk de ontginning van heide stop te zetten, terwijl ook het kiezen van andere terreinen verschillende bezwaren heeft. Zij zullen evenwel zoveel mogelijk aan de in het adres uitgedrukte wensen tegemoet komen en stellen voor daarvan aan de adressanten mededeling te doen." Had de Raad van Ermelo maar beter naar de freule geluisterd, inplaats van dit schijnheilige antwoord te geven. Misschien was dan de Elspeetse hei door het leger niet in zo'n grote mate verwoest geworden.

Irma van Eysinga overlijdt op 28 juni 1958. Ds. Van de Ent Braat zit aan haar sterfbed. De rouwdienst heeft plaats in `Sterrenhovenken', haar woonplaats in Elspeet. Ze wordt bijgezet in Den Haag op Oude Eik en Duinen'. Haar neef Ds. Jhr. C. van Eysinga uit Oppenhuizen (Friesland) leidt de dienst in de aula. Willem Mouw is aanwezig op de begrafenis, zoals hij in 1962 in zijn Veluws zwart lakense pak met hoge zijden pet ook de bijzetting van het stoffelijk overschot van Prinses Wilhelmina in de Nieuwe Kerk te Delft bijwoont.
Teylers Museum in Haarlem ontvangt bij legaat van januari 1959 van Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga 239 tekeningen van Blanche Douglas Hamilton en een geschilderd portret van deze schilderes van de hand van Jonkvrouw Van Eysinga. Voor haar sterven heeft 'de freule' een aantal geschilderde portretten aan vrienden en kennissen geschonken, die in Elspeet en omgeving nog terug te vinden zijn.

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

Van het einde van de negentiende eeuw tot in het begin van de twintigste eeuw bezoekt een aantal schilders het afgelegen. dorpje Elspeet om er naar de natuur te schetsen, te tekenen of te schilderen. De heidevelden met schaapherders, schaapskudden en schaapskooien en de op het land werkende mens met paard of os en de houtakkers in de uitgestrekte bossen zijn inspiratiebronnen voor deze schilders. De meesten van deze schilders zoeken een onderdak bij pension Mouw, of bij hotel Bossenbroek. Voor de winter vertrekken ze weer naar hun riante onderkomens met ruime ateliers in Den Haag of elders.
Slechts twee schilderessen zijn dertig tot veertig jaar `echte' inwoonsters van Elspeet geweest. De twee heel bijzondere vrouwen, die het zolang uithouden in deze kleine dorpsgemeenschap zijn: Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga en Miss Blanche Douglas Hamilton. In de volksmond respectievelijk aangeduid als 'de freule' en 'de juffer'.
Miss Blanche Douglas Hamilton Bij de Elspeetse bevolking zal de komst van kunstenaars, van vakantiegangers en van deftige families, die op de mooiste plekjes van het dorp hun villa's laten bouwen, geen al te grote consternatie hebben gewekt. De strijd om het bestaan vraagt de eerste en meeste aandacht!
De eerste kunstenaars en vakantiegangers zullen wel enig opzien gebaard hebben, maar ze leven en leiden een bestaan `ver van hun bed' onder het dak van hotel De Zwaan en het nieuwgebouwde hotel Bossenbroek. De `nieuwelingen' worden door de bevolking meer gezien als tijdelijke gasten dan als echte inwoners en men is al spoedig gewend aan de converserende, etende, theedrinkende en soms feestvierende gasten rondom de brink, onder de veranda's van 'De Zwaan' en `Bossenbroek'.
De nieuwkomers veroorzaken in elk geval geen sociale omwenteling in het dorp, wat ze in Laren bijvoorbeeld wel doen.
In Elspeet vindt men niets van dit alles: geen jacht op ruime kamers of woningen met atelierruimten met moeders of dochters als levende en direct beschikbare modellen! Er is ook geen concurrentieslag tussen binnen- en buitenlandse kunsthandelaren om de meest begeerde stukken in bezit te krijgen. Hoogstens komen er enkele kunsthandelaren, vlak voor de schilders naar hun winterverblijf in de stad verdwijnen, `Bossenbroek' en andere onderkomens bezoeken, om er een keuze te maken uit de daar uitgestalde schilderstukken. Misschien dat de ratelende brikjes met koetsier, die mensen van het station Nunspeet afhalen of er naar toe brengen en de melkrijder, die behalve zijn rammelende melkbussen stapels koffers en fietsen vervoert, de werkers in het veld even doen opkijken, maar niemand verwondert zich in de zomermaanden nog over het komen en gaan van bezoekers en hun pakkages.
Misschien heeft de Elspeetse bevolking wel even vreemd opgekeken toen in 1896 of 1897 een ruim veertigjarige ongetrouwde Engelse dame zich als kunstenares `blijvend' in het dorp komt vestigen. De naam van de Engelse mevrouw kunnen de Elspeters lastig uitspreken en daarom noemen ze haar gemakshalve: de `Engelse juffer' of ook wel gewoon: 'de juffer'. Hoe deze tekenares en schilderes in Elspeet terecht is gekomen, is niet te achterhalen. Ze wordt ambtshalve ingeschreven in het bevolkingsregister van Nunspeet als Miss Blanche Douglas Hamilton, geboren in Londen op 25 december 1853. Jammer genoeg zijn in het register datum en jaar van inschrijving niet vermeld.
In de kunsthistorische literatuur heb ik (K. Roodenburg) niets over haar kunnen vinden en in de Nederlandse schilderslexicons komt haar naam niet voor. Zo blijft voorlopig als enige informatiebron de familie W. Mouw uit Elspeet over, in het bijzonder Mevr. Geertje Mouw- Wieberdink, die een uitstekend geheugen heeft en zich door de familie van haar man's kant goed op de hoogte heeft kunnen stellen van het leven van deze schilderes die ze zelf nauwelijks heeft gekend. Verder heeft ze uit de nalatenschap van de schilderes een aantal brieven, foto's en schilderijen in haar bezit en weet ze waar ander werk van de schilderes nog te vinden is. De familie Mouw woont omstreeks de eeuwwisseling op het adres R-4 te Elspeet. Geertje Mouw weet zeker dat 'de Engelse juffer' haar eerste onderdak in Elspeet vindt bij haar grootmoeder Petertje Mouw, R-4 te Elspeet. Hoe de schilderes met Petertje Mouw in contact is gekomen, is niet bekend.
Het gezin Mouw Willem Mouw, geboren op 26 augustus 1845, trouwt met Petertje Mouw, geboren op 20 oktober 1855. Ze gaan wonen te Elspeet op het adres R-4. Willem Mouw overlijdt op 5 januari 1890. Petertje Mouw-Mouw wordt dan hoofd van het gezin. Ze zet met haar zeven kinderen het landbouwbedrijf voort. De zeven kinderen van Willem en Petertje Mouw zijn: Dirk, geb. 11 juli 1877; Gerrit, geb. 23 september 1878; Maria, geb. 9 september 1880; Jacobje, geb. 31 augustus 1882; Kornelis, geb. 4 september 1884; Willem, geb. 6 februari 1887 en Willempje, geb. 1 oktober 1890. Tenslotte is er volgens het bevolkingsregister van Nunspeet nog een broer van Petertje Mouw in huis: oom Aart Mouw, geboren op 19 september 1853 en weduwnaar. Op 6 mei 1921 vertrekt hij naar Dirk Davelaar te Uddel.
Van de zeven kinderen gaan alleen Dirk en Kornelis later trouwen, de rest blijft vrijgezel. Jacobje en Willempje vertrekken respectievelijk in 1913 en 1926 naar Apeldoorn. Als op 1 juni 1925 Petertje Mouw-Mouw overlijdt, blijven op de boerderij achter: Gerrit, Maria en Willem Mouw. Gerrit Mouw wordt hoofd van het gezin.
Weduwe Petertje Mouw verhuurt aan de Engelse dame een woonkamer en twee slaapkamertjes. De woonkamer is een hoekkamer met mooi invallend licht. Hoewel het woonhuis en de boerderij verschillende keren zijn verbouwd, is de woonkamer van de schilderes nagenoeg intact gebleven. Het opklapbare schrijfbureau is vervangen door een mobiel meubel, maar de drie originele handgesneden planken van 'de juffer' hangen nog op hun oude plaats in de kamer. Deze kamer is nu de woonkamer van de zoon van Kornelis Mouw, W. Mouw en zijn echtgenote Geertje Mouw-Wieberdink. Geertje is vooral de `tipgeefster' voor dit verhaal geweest. `De juffer' krijgt bij de familie Mouw kost en inwoning. Dochter Maria Mouw wordt haar hulp en op den duur een van haar beste vriendinnen.
Bakker schrijft in zijn typoscript: "Waarschijnlijk heeft Miss Blanche Hamilton al gauw een beetje Nederlands kunnen spreken, anders hadden de Elspeters haar nooit kunnen begrijpen. Later sprak zij ook uitstekend in Elspeter dialect. En voor de rest zal zij een figuur zijn geweest, die zich onder de Elspeters goed thuis voelde, want zij kon er uitstekend mee overweg. Mijn grootmoeder, die aan de Stakenbergerweg woonde, sprak dikwijls over haar. De `Engelse juffer' had dit gezegd of dat gedaan, maar altijd sprak zij over haar op een waarderende toon." Verder krijgt zij bekendheid om de `medische adviezen', die zij aan de bevolking probeert kwijt te raken! Ze is een voorstander van een `natuurlijke' geneeswijze.

Het Olde Huus te Elspeet met rechts onder de glazen dakbedekking het atelier van Miss Blanche Douglas Hamilton. Herkomst foto: Fotoarchief gemeente Nunspeet.
Omdat de woonkamer van Miss Hamilton eigenlijk te klein is om ook als atelier te worden gebruikt, kijkt ze uit naar een grotere werkruimte. Ze vindt deze in 'Het Olde Huus', een grote, oude boerderij gelegen tegenover de woning van Peet Mouw. 'Het Olde Huus' wordt door twee gezinnen bewoond. In het noordelijke deel huist 'dove Jouke' met een paar zusters. Als de zusters overleden zijn en `dove Jouke' zijn geiten opruimt, is 'de juffer' in de gelegenheid dit noordelijk deel van `Het Olde Huus' te kopen. Ze laat de oude woonruimte annex geitestal verbouwen tot een atelier. Het hellende met riet bedekte dak aan de noordzijde, laat zij voor een deel vervangen door glas, waardoor ze prachtig van bovenaf invallend licht (`noorderliche) binnen krijgt. Dit atelier zal ze al spoedig na haar komst in Elspeet hebben gekocht. Het jaar van aankoop is niet bekend, maar Miss Hamilton is in elk geval na verloop van tijd de gelukkige bezitster van woon- en slaapkamers in `Huize Mouw' en een atelier in het tegenovergelegen `Olde Huus'.
`De juffer' is kind aan huis bij de familie Mouw. Ze vindt er behalve `kost en inwoning', de gezelligheid van de familie Mouw en de altijd voor haar klaarstaande Maria, in de huiselijke kring `Mie' genoemd. Mie zorgt voor de bereiding en het opdienen van de maaltijden voor 'de juffer', voor het schoonhouden van haar kamers en voor allerlei andere werkzaamheden. Op zonnige dagen krijgt 'de juffer' haar kopje thee in het theekoepeltje, dat in de tuin voor haar kamers is geplaatst. Het is een karakteristiek tuinhuisje, dat is vervaardigd van lange heistruiken. Een oude rietdekker heeft het huisje verschillende malen opgeknapt. Het tuinhuisje staat er nog als aandenken aan 'de juffer', maar is nu vervaardigd van hout.
Miss Hamilton voelde zich erg thuis in Elspeet al was zij het met de mentaliteit van de Elspeeters niet geheel eens. Ze vond namelijk, dat de mensen een beetje star en eigenwijs waren, niet naar goede raad wilden luisteren en nooit tijdig naar een dokter wilden in geval van ziekte.
`De juffer' maakt tijdens haar langdurig verblijf in Elspeet alle veranderingen in het dorpje mee. De kinderen Mouw trouwen en zwermen uit. Uiteindelijk wordt de boerderij alleen nog bewoond door Miss Hamilton, haar hulp en vriendin Mie en twee ongetrouwde broers: Willem, de schaapherder en Gerrit, de Boer. Intussen heeft ook 'de rijkdom' Elspeet ontdekt. De rijken en machtigen in deze wereld hebben altijd en overal de `mooiste plekjes' ingepikt. Daarop vormt Elspeet geen uitzondering.
In 'De Lage Hof, gelegen naast 'Het Olde Huus' gaat mej. Reijnvaan wonen. Een vermogende dame, die als een van de eersten in Elspeet een auto aanschaft en Hendrik Vlijm als haar chauffeur aanstelt. Haar personeel bestaat verder uit een aantal dienstmeisjes en een dame voor gezelschap: mejuffrouw Cornelia Johanna Tilanus (1861-1956). Mej. Tilanus heeft een kunstzinnige opleiding gehad. Ze doet mee aan exposities van 'De Onafhankelijken' maar ze verkoopt zelden iets. Haar zuster Liede Tilanus werkt enige tijd in Elspeet als onderwijzeres op de school bij meester Berend Dijkgraaf. Ze trouwt met de kunstenaar Michiel Duco Crop (1863-1901). Na diens overlijden hertrouwt ze met de bekende Amsterdamse sierkunstenaar Johannes EisenMel (1876-1957). Tijdens de oorlog 1940-1945 woont het echtpaar lange tijd in het atelier van Cornelia in Elspeet.
Er schijnt nagenoeg geen contact te hebben bestaan tussen juffrouw Reijnvaan, met haar schilderende gezelschapsdame Tilanus, en de schilderes en tekenares Miss Blanche Douglas Hamilton. Mej. Reijnvaan verdwijnt als buurvrouw als ze aan de Stakenbergweg een villa laat bouwen: De Feythahof. Mej. Tilanus, die jarenlang haar gezelschapsdame blijft, erft later 'De Lage Hof'. In de nieuwbouw van Elspeet is tegenwoordig een woonerf, dat Reijnvaanerf heet: Mej. Reijnvaan is de oorspronkelijke eigenares van de bouwgrond geweest.

Vriendschappen Behalve een wederzijdse genegenheid tussen 'de juffer' en een groot deel van de Elspeetse bevolking zijn er enkele bijzondere vriendschappen te noemen. Als de schilderes Jonkvrouw Irma van Eysinga (`de freule') zich in 1915-1916 definitief in Elspeet vestigt, eerst aan de Krommeweg en daarna in de door heide en graanvelden omringde villa Sterrenhoveke, ontstaat er al spoedig een innige vriendschap tussen 'de juffer' en 'de freule'. De `freule', die vergezeld wordt door haar moeder, is niet ingeschreven in het bevolkingsregister van Nunspeet. Zij blijven dus blijkbaar inwoners van Den Haag en brengen alleen de zomers in Elspeet door. Bij de vriendschap tussen de beide schilderessen worden ook betrokken Liesbet Verweij, sinds ongeveer 1921 de gezelschapsdame van 'de freule' en Marie Mouw, de hulp en hartsvriendin van `de juffer'. Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga schildert een Portret van Blanche Douglas Hamilton, olieverf op paneel, gesigneerd met J. van Eysinga en met het opschrift 'Blanche Douglas Hamilton'. Dit schilderij is nu in het bezit van Teylers Museum te Haarlem. Ze maakt omstreeks 1920 ook een Portret van Maria Mouw met knipmuts. Dit portret is in het bezit van de heer D. Bakker te Vaassen.

Miss Hamilton is in hoofdzaak tekenares. Bij mooi weer tekent ze buiten. Veel van haar tekeningen hebben Elspeet als onderwerp: Elspeetse boerderijen met schaapskooien en kudden schapen, Elspeetse kinderen, Elspeetse vrouwen in klederdracht, wolspinnend of bezig bij de waterpomp, interieurs met 'de heerd' enz. Het zijn overwegend realistische tekeningen: leuke herkenbare plaatjes. In het boek van D. Bakker staan enkele van haar Elspeetse tekeningen afgebeeld. Als Miss Hamilton op 19 mei 1921 haar testament laat maken, wordt daarin haar atelier gelegateerd aan Maria Mouw en de tekeningen die ze in haar bezit heeft, gaan bij haar overlijden naar haar kunstvriendin Jonkvrouw E.H.J. van Eysinga (1924). In 1959 legateert Jonkvrouw Van Eysinga 239 tekeningen van Blanche Douglas Hamilton aan Teylers Museum te Haarlem. Eveneens het hierboven genoemde olieverfschilderij: Portret van Blanche Douglas Hamilton.

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

Hotel Bossenbroek met zijn atelier heeft in de kunsthistorie enige bekendheid gekregen door de brieven van G.H. Breitner aan H.J. van der Weele. Deze brieven zijn door P. Hefting onder de titel `Brieven van G.H. Breitner aan H.J. van der Weele' becommentarieerd in het Kunsthistorisch Jaarboek 1976 (1977). Uit de brieven van Breitner aan Van der Weele met de aantekeningen van P. Hefting is enigszins op te maken, hoe de vriendschap tussen Breitner en Van der Weele zich heeft ontwikkeld.
Dat Breitner brieven schrijft aan Van der Weele is goed te begrijpen. Van der Weele is altijd een contactfiguur geweest voor collega's. Deze rustige, hartelijke, harmonische man, die het financieel goed kan doen, is de raadgever van veel kunstenaars die in kwaliteit van werken vaak ver boven hem uitsteken (Mauve, Van Gogh, Breitner e.a).

De Rotterdammer George Hendrik Breitner (1857-1923) heeft een emotioneel en licht ontvlambaar karakter. Dat heeft hem nogal wat moeilijkheden bezorgd bij zijn opleiding. Na een jaar studie aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag behaalt hij in 1877 de acte MO-tekenen. Hij geeft wat lessen in Rotterdam en Leiden. Zijn eerste jaren als kunstenaar leveren een aantal stillevens, figuurstudies (vooral zelfportretten) en `militaire' stukken op. Breitner is origineel in de losse wijze waarop hij zijn verf opbrengt en in zijn onconventionele composities. Hoewel Rotterdammer van geboorte draait zijn leven voornamelijk om de twee steden: Den Haag en Amsterdam. In Den Haag hebben Breitner en Van der Weele elkaar rond 1879 leren kennen. Van der Weele draagt in datzelfde jaar Breitner voor als buitengewoon lid van Pulchri Studio'. In 1880 wordt Breitner volledig lid van deze vereniging van kunstenaars. Breitner is niet sterk van lichaam. Hij wordt gekweld door angstaanjagende onrust, afgewisseld door buien van neerslachtigheid. Daarbij heeft hij voortdurend geldgebrek.
Deze driftige, eigenzinnige man heeft gelukkig een paar kurken, die hem drijvende houden. Breitner heeft voor kortere of langere tijd vrienden met wie hij kan optrekken en die hem geestelijke of materiele steun geven en zijn ongeregeld leven wat reguleren. Van Gogh en Breitner ontmoeten elkaar geregeld (1882-1883). Van Gogh heeft over het algemeen geen bewondering voor Breitner en Breitner staat op zijn beurt vreemd tegenover het werk van Van Gogh. Hun karakters verschillen zozeer, dat de vriendschap niet lang duurt. De handelaar A.P. Stolk uit Rotterdam verleent Breitner financiele steun. Stolk zegt later: "Alles bijeen zal ik ruim f 2.000,— aan G.H. Breitner hebben betaald." In ruil daarvoor krijgt Stolk drie schilderijen van Breitner uit zijn begintijd.
Een andere, meer vaderlijke vriend is Van der Weele. Breitner is in Den Haag vaak te gast bij de familie op 'Het Kleine Loo'. Jans van der Weele is een echte 'beschermvrouwe' voor hem. Breitner is verlegen, zachtmoedig en opvliegend, hij is een eenzaam man. Hij heeft grote behoefte aan warmte en genegenheid. Mevr. Van der Weele heeft hem goed begrepen. Breitner heeft dat gewaardeerd. Hij schildert een Portret van mevr. Van der Weele (1882). Hij maakt in 1885 de aquarel De wandeling voorstellende mevr. Van der Weele met haar zoon Herman en een andere dame en tenslotte herinnert aan 'Het Kleine Loo' een olieverf: Bruine pot met tulpen en narcissen.
Zijn bijzondere genegenheid voor Herman van der Weele blijkt het sterkst uit het nu zo befaamde Zelfportret met lorgnet, kleine knevel en hoed, een olieverf op paneel, dat volgens het onderschrift is opgedragen 'A mon ami H.J. v.d. Weele'. Dit zelfportret van Breitner is vroeger in het bezit geweest van Van der Weele. Op een interieurfoto van het atelier van Van der Weele aan de Statenlaan ziet men het aan de muur hangen, het is duidelijk herkenbaar. Als weldoener en kunstverzamelaar heeft Van der Weele op zeker moment 15 werken van Breitner in zijn bezit. De meeste heeft hij gekocht, enkele heeft hij van de schilder cadeau gekregen. De dochtertjes van der Weele (Mary en Gonnie), een olieverf op doek van ca. 1890, is zo goed als zeker een geschenk van Breitner aan Van der Weele.
Breitner leefde een onzedelijk leven. Aan zijn Rotterdamse vriend en beschermer Van Stolk schrijft hij: "Zoals U weet ben ik steeds lijdende. Plotseling heeft zich weer een herhaling voorgedaan van een, meende ik, geheel verdwenen kwaal. In 1892, in de zomer, wordt Breitner weer ernstig ziek, waarschijnlijk als gevolg van de in 1892 of mogelijk ook dit jaar opgelopen geslachtsziekte. Zijn ogen zijn daarbij aangetast. Na de eerste fase van zijn ziekte komt hij naar Elspeet om in hotel Bossenbroek, met in de onmiddellijke nabijheid het atelier van Van der Weele, op krachten te komen.

Brieven uit Elspeet Met betrekking tot het verblijf van Breitner te Elspeet zijn  brieven uit het jaar 1892 en zijn zeer interessant. Daarvan zijn er twintig overgebleven. Uit deze brieven, die door P. Hefting in 1976 worden behandeld in het Kunsthistorisch Jaarboek 1976 (1977), volgen een aantal citaten die betrekking hebben op zijn verblijf in Elspeet. Hefting merkt op, dat Breitners toestand in Elspeet verslechtert en dat hij eind 1892 in Amsterdam in het ziekenhuis wordt opgenomen. Behalve aan Van der Weele schrijft Breitner vanuit Elspeet ook briefjes aan de heer Groesbeek, die in dienst is bij kunsthandelaar Van Wisselingh.
Hefting (1977: brief 20): "Ik zal wel eens overkomen en 't is bepaald noodig voor me dat ik eens de stad uitga, want ik heb malaria en zooals je weet gaat die van Kinine, dat ik gebruik toch niet helemaal weg. Maar ik zit geweldig zonder geld en ik geloof niet dat ik er ooit boven op kom. Nu, na Groeten aan je vrouw en kindertjes. Ik wou dat ik ook getrouwd was."
Hefting (1977: brief 27): "In Den Haag zijnde heb ik geen gelegenheid gehad bij U aan te komen. Onze tijd was erg bezet. Nadat ik me omstreeks 6 uur plotseling heel onaangenaam aangedaan voelde, ben ik thuis komende door een soort (...) vervelend geworden, zoodat ik 's morgens de grootste moeite had om de meid open te doen. Ik heb dadelijk naar mijn docter gezonden en nu wordt ik door twee Docters behandeld. Zij zeggen dat 't lang kan duren eer ik weer beter ben."
Hefting (1977: brief 29): "Ik ben veel beter, maar ik ben ontzettend slap. Ik kan nog niets doen van beteekenis. Je schrijft me dat je een atelier heb laten bouwen. Met wie? En hoe zit dat?" (Uit de laatste zinsnede zou men kunnen opmaken, dat 'Atelier Bossenbroek' in opdracht van Van der Weele is gebouwd. De schuur of 'het atelier' is gebouwd in opdracht van Gerrit Bossenbroek in overleg met Van der Weele. Gerrit Bossenbroek is de eigenaar van 'het atelier'. K.R.)
In een volgende brief (Hefting 1977: brief 30) komt dan het verzoek van Breitner of hij over het atelier kan beschikken. "Kunt ge me ook opgeven zoowat precies wanneer ik over het atelier zou kunnen beschikken. Zou het bijv. over 14 daag kunnen zijn. Iedere dag gaat het beter met me. En hoelang blijv. T.M. en M. nog, heel lang, of is het misschien aardig om met hen samen 't atelier te hebben. Hoelang blijven ze nog. Ik heb zoo'n idee dat 't niets voor me is. Zou ik er kleine schilderijtjes kunnen maken naar de natuur?" (Het atelier is zomer 1982 waarschijnlijk in gebruik bij Ter Meulen = T.M. en Willy Martens = M; beiden Haagse collega's van Van der Weele. K.R.) Zelfportret van G.H. Breitner, 100 x 190 cm. In welke maand van het jaar 1892 Breitner bij 'Bossenbroek' in Elspeet komt logeren en het atelier Herkomst foto: in gebruik neemt, is niet precies bekend. Het zal in de maand augustus geweest zijn. In de hierop Catalogus Breitner, volgende brief geeft Breitner een 'verslag' aan de familie Van der Weele over zijn ervaringen in Museum Boymans-van Beuningen, Elspeet. De minder vleiende uitspraken, die hij doet over het hotel, het dorp en zijn inwoners zullen Rotterdam. voortvloeien uit zijn ziekte.
Breitners oordeel over Elspeet Hefting (1977: brief 32): "Amice, Hoe maakten jelui het toch met het eten hier in Elspeet. Tot nu toe heb ik niets gehad dan snippertjes rookvleesch. Merkwaardig, gisteren een groote biefstuk, door en door gaar, hoor, zoo taai, dat ik er 's nachts maagpijn van heb gehad. Eieren die zijn goed, maar je kunt toch geen eieren alleen eten. Doe me dus het genoegen en zend me wat blikjes sardientjes, 3 of 4, met een mes om ze open te maken,een fleschje goede ansjovis. Ik zou haast zeggen doe er een rolletje ham bij van Noach van een gulden of 3, dan zal ik het je per postwissel overmaken, het bedrag dat je voor mij uitgeeft. Meld me ook, bij wat voor soort menschen ik ben (Breitner informeert naar de familie Bossenbroek. K.R.) en welke lui zoal voor je geposeerd hebben. `t Is hier een saaie soort van menschen. Ik vind het hier heel mooi, maar ik geloof niet dat het iets voor me is. De volgende week zal ik zien hoe het gaat. Gaat het niet dan schuif ik naar Drenthe, dat vind ik veel mooier. Ossen heb ik nog niet gezien, waar zitten die beesten. Gisteren zien ploegen met paarden. Geen ossen. Vanmorgen koeien gezien, maar geen ossen." Dat Breitner heeft zien ploegen met paarden wijst erop, dat de rogge-oogst binnen is. Dat zal ongeveer eind augustus zijn. Waarschijnlijk is Breitner omstreeks die tijd (aug. 1892) in Elspeet gearriveerd. De volgende brief aan de familie Van der Weele is gedateerd 20 december 1892. Breitner is dan alweer in Amsterdam. Zijn verblijf in Elspeet zal drie of vier maanden geduurd hebben. Breitner vervolgt zijn brief: "En wat zijn de vrouwen hier leelijk, ..., 't zijn harken. Eer ik daar iets in zie, en de kerels hebben zulke gemeene slim brutale bakkessen als de Scheveningers, irritante lui. Enfin, ik hoop in ieder geval een paar buitenstudies te maken. Zend jij maar wat levensmiddelen. In afwachting, na hartelijke groeten ook aan je vrouw."

'Atelier Bossenbroek' Breitner heeft het atelier, waar Van der Weele het beheer over heeft en dat hij in 1892 enige maanden heeft mogen gebruiken, slordig achtergelaten. Van der Weele heeft Breitner daarover aangesproken. Breitner is door die aanmerkingen nogal aangebrand, zoals blijkt uit de brief (Hefting 1977: brief 43) die hij in 1893 aan Van der Weele stuurt.
"Amice, Gisteren toen je me vertelde van Bossenbroek en dat wij alles wat ik had achtergelaten zoomaar had laten staan, dacht ik er zoo gaauw niet om, maar naderhand vond ik het toch niet erg aardig van je, dat je toen je toch daar waart niet gezorgd hebt dat die boel opgeruimd en mij op gestuurd werd. 't Was een kleine moeite geweest, want ik weet natuurlijk niet alles wat ik daar achterliet, en als ik het dien man schrijf, laat hij misschien toch de helft staan. Geef mij nu eens op wat er zooal zoo is, dan zal ik het hem schrijven."
Het is niet bekend, wie het atelier tenslotte heeft opgeruimd, evenmin of Gerrit Bossenbroek hem zijn materialen heeft toegezonden. Er is geen werk van Breitner bekend, dat in Elspeet gemaakt is.
Vanuit Elspeet schrijft Breitner zeven brieven aan de heer Groesbeek van de kunsthandel Van Wisselingh in Den Haag. Een is gedateerd october 1892: "Amice, Vanmiddag ben ik dan eindelijk hier in Nunspeet (Moet zijn Elspeet. K.R.) alles is doornat. Geen enkel weggetje is begaanbaar en ik moet zeggen dat als ik geen beteren indruk (krijg) ga ik hier vandaan naar Drenthe. Wat ik van de menschen gezien heb vind ik leelijk. Daarom dat ik bijna alles heb vergeten en als ik volgende week niets vind, ga ik weg."
De volgende briefjes bevatten een stroom van opdrachten aan de heer Groesbeek. Hij moet Breitner van alles sturen: spons, zeep, pennen, penhouders, schoenen, verf, kranten enz. Breitner geeft bij een aantal van deze artikelen een uitvoerige beschrijving met tekeningen geillustreerd. Daar tussen door schrijft hij opmerkingen als: "het bevalt me nog niet (...) ik heb hier nog niets uitgevoerd, gedeeltelijk door het weer, gedeeltelijk doordat ik nog niets gevonden heb. Ik ga hier 's avonds meest 8 of 9 uur naar bed en ben 's morgens om 7 uur op. 't Eten is hier allerberoerdst, maar je eet er toch van. Maar als 't wat goeds was, dan zou ik het verslinden." Even later is hij zeer tevreden en schrijft dat "het heerlijk is nu en prettig." Tijdens zijn verblijf in hotel Bossenbroek komt Ter Meulen hem een keer opzoeken.
De 'fietsengeschiedenis' De briefwisseling tussen Breitner en Van der Weele gaat door tot 1917. Van 1893 tot 1896 komt in een aantal brieven van Breitner de velocipede van Breitner ter sprake. Die 'fietsengeschiedenis' begint met een briefje, dat Herman (de zoon van Van der Weele) hem stuurt met het verzoek om de fiets te mogen lenen (1893). De `jonge Herman' is in 1879 geboren en is dus een jongen van 14 jaar. De brief van deze knaap heeft Breitner nogal aan het schrijven gezet!
Het geschrijf van Breitner over zijn fiets begint in 1893 en gaat door tot 1896. In dat jaar schrijft Breitner zes brieven aan Van der Weele, die vrijwel steeds handelen over de verkoop van zijn fiets. Van der Weele, die de fiets onder zijn beheer heeft, kan hem eigenlijk niet gebruiken. Zoon Herman's animo voor de oude velocipede is inmiddels ook verdwenen. Op Breitners verzoek moet Van der Weele dan maar proberen de fiets in Elspeet of omgeving kwijt te raken. Daar heeft men weinig belangstelling voor het vehikel.
In een brief van juli 1896 schrijft Breitner: "'t Spijt me te hooren dat de kenners in Uddel zo slecht over de fiets oordelen en dat jij hem niet gebruiken kunt. Ik zal dus het voorstel van die mijnheer Dijkgraaf maar aannemen, als je je ten minste belasten wilt met de inning en overzending der gelden. Maar zie eerst of je niet wat meer kunt krijgen, f. 35 of zoo, want het is eigenlijk belachelijk weinig."
Correcties van enkele fouten en misverstanden Uit de brieven van Breitner aan Van der Weele blijkt, dat Breitner nogal moeite heeft met de stijl en grammatica van de Nederlandse taal. De naam van de hotelhouder Gerrit Bossenbroek wordt door hem afwisselend geschreven als: Bosbroek, Boschebroek en Bosschebroek.
Ook Paul Hefting (1977) gaat de fout in als hij schrijft: "Hoewel de nabije omgeving van Den Haag in die tijd nog zeer landschappelijk was, had Herman van der Weele ook een atelier laten maken van een boerenschuur in Elspeet. Dit kleine buiten heette 'Bosschebroek' en Breitner zocht daar in de jaren '90 rust en genezing, zoals uit de brieven nog zal blijken."
Gerrit Bossenbroek laat het 'atelier' (de schuur) bouwen en niet Herman van der Weele. Het is in geen geval een boerenschuur, maar een opbergruimte voor hotelmateriaal tevens geschikt om te worden gebruikt als atelier. Het kleine 'buiten' is slechts een gemetselde schuur achter in de moestuin van hotel Bossenbroek. Ook Hefting schrijft de naam van het hotel fout: het hotel heet niet Bosschebroek maar 'Bossenbroek'.

Breitners klachten over het eten van hotel Bossenbroek Breitner is een stedeling (Rotterdam-Den Haag-Amsterdam). Hij is niet gewend aan de gewone, maar toch degelijke 'boerenpot, zoals die in hotel Bossenbroek wordt opgediend. Normaliter verkeert hij (meestal zonder een cent op zak) met dichters, schrijvers en schilders uit de goede milieus in het artiestencafe Die Port van Cleve (Amsterdam), waar hij behalve van de borrels en mooie vrouwen, ook van de lekkere hapjes zal hebben genoten.
Hij is ziekelijk en humeurig, het weer is slecht en het werk wil niet vlotten, daarom klaagt hij snel en veel. Hij is sterk egocentrisch gericht en maakt voortdurend ongemotiveerde verwijten, zelfs tegenover zijn beste vrienden en 'beschermers'. Hij heeft bijna altijd gebrek aan geld. Naast zijn geniale kwaliteiten als kunstenaar is hij een `lastig' mens. Hij handelt vaak als een verwend kind, nukkig en met weinig gevoel voor zijn medemens.
Zijn voortdurende klachten over het eten in hotel Bossenbroek zijn zeker ongemotiveerd. Je kunt in een klein boerendorpje zonder winkels geen sardientjes en ansjovis verwachten, maar wel het beste voedsel van het boerenland: scharrelvlees, scharreleieren, verse groenten uit eigen tuin alsmede de fijnste voortbrengselen van de vrije natuur: vossebessen, bosbessen, cantharellen enz. Breitner heeft het degelijke hotel Bossenbroek onverdiend in discrediet gebracht.

G.H. Breitner heeft zo'n drie maanden in Elspeet doorgebracht. Hij is na Vincent van Gogh de beroemdste Nederlandse schilder van de negentiende eeuw. Hij is de grondlegger van `De Amsterdamse School'. Zijn werk is van onschatbare waarde. Zijn verblijf in Elspeet heeft daar geen invloed op gehad. Misschien, dat tijdens zijn ziekte in hotel 'Bossenbroek' zijn kreatieve geest wat tot rust is gekomen en zich heeft kunnen concentreren op de enorme `aanvar, die hij daarna zal doen op Amsterdam. "Zijn overgave in die jaren (Na Elspeet. K.R.) is roekeloos, machtig en hoogmoedig. Breitner hoort niet thuis in Elspeet. Hij heeft er niets gemaakt, laat staan er iets veranderd...

De gemeente Nunspeet heeft in een nette burgermansbuurt een keurige G. Breitnerstraat!

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

LUCAS HERMANN PETERICH (1920)
Jan Miechels, Chris ten Bruggen Kate en mevrouw Hooghordel-van Sloten hebben mij (K. Roodenburg) erop geattentendeerd dat in de oorlogsjaren de schilder Lukas Peterich zich vanuit Rotterdam in Elspeet terugtrekt. Hij is weliswaar van geboorte Duitser, maar wordt in de oorlog niet door zijn landgenoten gezocht, wellicht heeft Peterich zich al lang voor de oorlog laten naturaliseren. Hij houdt zich niet bezig met verzetshandelingen; zijn komst naar Elspeet heeft alleen materiele achtergronden. Het leven is er rustig en er is geen gebrek aan voedsel. Zijn verblijf in Elspeet duurt van 14 november 1940 tot 9 december 1946. Hij woont en werkt die jaren in een grote woning aan de Apeldoornseweg 89 te Elspeet. Peterich is oorspronkelijk getrouwd met een Italiaanse. Uit dit huwelijk wordt een dochter geboren. Het huwelijk strandt; na de echtscheiding trouwt Lukas Peterich met Floor van Beuningen. Als schoonzoon van de schatrijke ondernemer en grootgrondbezitter D.G. van Beuningen, en wonend in de onmiddellijke nabijheid van diens landgoed Noorderheide in Vierhouten, zit hij safe! Hij is gul genoeg om Jan Miechels in de oorlogsjaren van verf te voorzien. Mevrouw Hooghordel-van Sloten geeft als jonge onderwijzeres in Vierhouten les aan de kinderen van Lukas en Floor Peterich. Ook geeft ze Nederlandse les aan de dochter uit het eerste huwelijk van Lukas Peterich, als deze enige tijd in Vierhouten/Elspeet vertoeft.
Mejuffrouw Ida Ybertje de Nes is in het begin van de oorlogsjaren kinderverzorgster bij Lukas en Floor Peterich. Zij trouwt op 8 januari 1943 met de Nunspeetse schilder Frans Huysmans, die daar-mee zijn derde huwelijk begint. Precies drie jaar later, op 8 januari 1946, gaat het echtpaar uit elkaar; en volgt een echtscheiding.

Er wordt nu nog over gesproken dat Peterich zo mooi vogels kon tekenen. In enkele huis- of slaapkamers in Elspeet schijnen deze tekeningen nog te hangen.

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

 

Martin MonnickendamKunstschilder M. (Martin) Monnickendam was van Joodse afkomst en had twee dochters, te weten Mona Rosa en Ruth. Hijzelf is 1943 een natuurlijke dood gestorven. Beide dochters hebben de oorlog overleefd en nog jarenlang in Elspeet gewoond, op het adres Stakenbergweg 110. Mona Rosa is ongetrouwd gebleven, is daar ook blijven wonen op dat adres tot het moment dat Jan en Ruth beide overleden waren, toen is zij verhuisd naar de Stakenbergweg 96. Ruth is getrouwd geweest met de Elspeter J. (Jan) Mulder en hebben aan de Stakenbergweg 96 te Elspeet gewoond. Op dat adres hebben jarenlang werken van Monnickendam op zolder gelegen, tot midden jaren negentig vorige eeuw plus minus. Daarna zijn ze gerestaureerd en hangen nu in het Joods Historische Museum te Amsterdam. Het is op gang gekomen door een notaris en die toen en daartoe de stichting vrienden van Monnickendam in het leven geroepen heeft.

Martin (Martijn) Monnickendam (Amsterdam 25 februari 1874 – Amsterdam 4 januari 1943), was een Nederlandse kunstschilder en tekenaar. Hij genoot zijn opleiding van 1891 tot 1893 aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten en was leerling van de tekenschool Felix Meritis, beide in Amsterdam. Hij beoefende de genres: schilderen, aquarelleren, etsen, tekenen en lithograferen. Als onderwerpen koos hij vaak de stad Amsterdam of joodse thema's.
In 1904 werd Monnickendam lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, in 1905 van Sint Lucas en in 1916 van de Onafhankelijken.
Monnickendam trouwde in 1906 met Alice Mouzin, directrice van de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd.
Er was een eretentoonstelling in 1924 in het Stedelijk Museum in Amsterdam in verband met zijn 50ste verjaardag. Op zijn zestigste verjaardag in 1934 organiseerde zijn vriend Bernard Houthakker daarvoor een tentoonstelling.
Hij werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

Tentoonstelling en stichting.
In 2009 werd de tentoonstelling 'Het Amsterdam van Martin Monnickendam' in het Stadsarchief Amsterdam gehouden. Alle tekeningen hadden de hoofdstad als onderwerp. Bij de tentoonstelling werd de oeuvrecatalogus en monografie gepresenteerd.

Er bestaat een Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam[1], gevestigd in Amsterdam, die het nalatenschap van de schilder beheerde en zijn werk onder de aandacht wil brengen van een groter publiek. In 1999 en 2009 schonk de stichting een grote hoeveelheid werken aan enkele museale instellingen in Amsterdamn.

Schilderijen
Het werk van Martin Monnickendam is onder meer te vinden in het Joods Historisch Museum, Rijksmuseum, het Stadsarchief Amsterdam, het Gemeentemuseum Den Haag en het Amsterdam Museum.

Bron: Wikipedia

Jan MiechelsJan MiechelsJan Miechels (geboren 1916) was een Gelders kunstenaar met nationale belangstelling. Er is een boekje van hem uitgegeven door het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan in 1981. Dit ter gelegenheid van een overzichtstentoonstelling van zijn werk. Het boekje bevat schilderijen, tekeningen, en collages.

Daarnaast is er een boek uitgegeven over zijn levensgeschiedenis onder de titel "Tekens van leven". In deze uitgave vertelt Leen van Weelden over het verblijf van Jan Miechels in Elspeet en Vierhouten.

Op 25 juli 1944 trouwt Jan Miechels met Anna Jacobs. Vanwege de Slag om Arnhem die op 17 september 1944 begint, moeten ze evacueren. Nadat ze eerst in Epe onderdak hadden gevonden, zijn ze korte tijd later in Elspeet gekomen. In Elspeet hebben ze eerst bij D. Van der Berg aan de Vierhouterweg 60 ingewoond. Jan Miechels kon daar zijn schilder activiteiten voortzetten. Na de oorlog kregen Jan Miechels en Ans Miechels de beschikking over de "tippe". Zelf noemden zij het hun "Hans en Grietje huisje". Dit zomerhuisje stond tegenover Vierhouterweg 60 op de hoek sluiterweg/Vierhouterweg. Het zomerhuisje is nu in zwaar verval, maar ligt er nog steeds (anno 2015).

Koos Tuitjer maakte een foto van het huisje, met Jan Miechels zittend op een bankje. Jan Miechels schreef zelf bij deze foto: "Jan Miechels voor het huisje, het laatste evacuatieadres voor vertrek naar Vierhouten,. Vanaf de bank kijk ik naar de grote es van Elspeet waarvan ik uit 1944 nog een vrij grote tekening bezit".

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

Wie is online?

We hebben 69 gasten en geen leden online