user_mobilelogo

Hotel Bossenbroek met zijn atelier heeft in de kunsthistorie enige bekendheid gekregen door de brieven van G.H. Breitner aan H.J. van der Weele. Deze brieven zijn door P. Hefting onder de titel `Brieven van G.H. Breitner aan H.J. van der Weele' becommentarieerd in het Kunsthistorisch Jaarboek 1976 (1977). Uit de brieven van Breitner aan Van der Weele met de aantekeningen van P. Hefting is enigszins op te maken, hoe de vriendschap tussen Breitner en Van der Weele zich heeft ontwikkeld.
Dat Breitner brieven schrijft aan Van der Weele is goed te begrijpen. Van der Weele is altijd een contactfiguur geweest voor collega's. Deze rustige, hartelijke, harmonische man, die het financieel goed kan doen, is de raadgever van veel kunstenaars die in kwaliteit van werken vaak ver boven hem uitsteken (Mauve, Van Gogh, Breitner e.a).

De Rotterdammer George Hendrik Breitner (1857-1923) heeft een emotioneel en licht ontvlambaar karakter. Dat heeft hem nogal wat moeilijkheden bezorgd bij zijn opleiding. Na een jaar studie aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag behaalt hij in 1877 de acte MO-tekenen. Hij geeft wat lessen in Rotterdam en Leiden. Zijn eerste jaren als kunstenaar leveren een aantal stillevens, figuurstudies (vooral zelfportretten) en `militaire' stukken op. Breitner is origineel in de losse wijze waarop hij zijn verf opbrengt en in zijn onconventionele composities. Hoewel Rotterdammer van geboorte draait zijn leven voornamelijk om de twee steden: Den Haag en Amsterdam. In Den Haag hebben Breitner en Van der Weele elkaar rond 1879 leren kennen. Van der Weele draagt in datzelfde jaar Breitner voor als buitengewoon lid van Pulchri Studio'. In 1880 wordt Breitner volledig lid van deze vereniging van kunstenaars. Breitner is niet sterk van lichaam. Hij wordt gekweld door angstaanjagende onrust, afgewisseld door buien van neerslachtigheid. Daarbij heeft hij voortdurend geldgebrek.
Deze driftige, eigenzinnige man heeft gelukkig een paar kurken, die hem drijvende houden. Breitner heeft voor kortere of langere tijd vrienden met wie hij kan optrekken en die hem geestelijke of materiele steun geven en zijn ongeregeld leven wat reguleren. Van Gogh en Breitner ontmoeten elkaar geregeld (1882-1883). Van Gogh heeft over het algemeen geen bewondering voor Breitner en Breitner staat op zijn beurt vreemd tegenover het werk van Van Gogh. Hun karakters verschillen zozeer, dat de vriendschap niet lang duurt. De handelaar A.P. Stolk uit Rotterdam verleent Breitner financiele steun. Stolk zegt later: "Alles bijeen zal ik ruim f 2.000,— aan G.H. Breitner hebben betaald." In ruil daarvoor krijgt Stolk drie schilderijen van Breitner uit zijn begintijd.
Een andere, meer vaderlijke vriend is Van der Weele. Breitner is in Den Haag vaak te gast bij de familie op 'Het Kleine Loo'. Jans van der Weele is een echte 'beschermvrouwe' voor hem. Breitner is verlegen, zachtmoedig en opvliegend, hij is een eenzaam man. Hij heeft grote behoefte aan warmte en genegenheid. Mevr. Van der Weele heeft hem goed begrepen. Breitner heeft dat gewaardeerd. Hij schildert een Portret van mevr. Van der Weele (1882). Hij maakt in 1885 de aquarel De wandeling voorstellende mevr. Van der Weele met haar zoon Herman en een andere dame en tenslotte herinnert aan 'Het Kleine Loo' een olieverf: Bruine pot met tulpen en narcissen.
Zijn bijzondere genegenheid voor Herman van der Weele blijkt het sterkst uit het nu zo befaamde Zelfportret met lorgnet, kleine knevel en hoed, een olieverf op paneel, dat volgens het onderschrift is opgedragen 'A mon ami H.J. v.d. Weele'. Dit zelfportret van Breitner is vroeger in het bezit geweest van Van der Weele. Op een interieurfoto van het atelier van Van der Weele aan de Statenlaan ziet men het aan de muur hangen, het is duidelijk herkenbaar. Als weldoener en kunstverzamelaar heeft Van der Weele op zeker moment 15 werken van Breitner in zijn bezit. De meeste heeft hij gekocht, enkele heeft hij van de schilder cadeau gekregen. De dochtertjes van der Weele (Mary en Gonnie), een olieverf op doek van ca. 1890, is zo goed als zeker een geschenk van Breitner aan Van der Weele.
Breitner leefde een onzedelijk leven. Aan zijn Rotterdamse vriend en beschermer Van Stolk schrijft hij: "Zoals U weet ben ik steeds lijdende. Plotseling heeft zich weer een herhaling voorgedaan van een, meende ik, geheel verdwenen kwaal. In 1892, in de zomer, wordt Breitner weer ernstig ziek, waarschijnlijk als gevolg van de in 1892 of mogelijk ook dit jaar opgelopen geslachtsziekte. Zijn ogen zijn daarbij aangetast. Na de eerste fase van zijn ziekte komt hij naar Elspeet om in hotel Bossenbroek, met in de onmiddellijke nabijheid het atelier van Van der Weele, op krachten te komen.

Brieven uit Elspeet Met betrekking tot het verblijf van Breitner te Elspeet zijn  brieven uit het jaar 1892 en zijn zeer interessant. Daarvan zijn er twintig overgebleven. Uit deze brieven, die door P. Hefting in 1976 worden behandeld in het Kunsthistorisch Jaarboek 1976 (1977), volgen een aantal citaten die betrekking hebben op zijn verblijf in Elspeet. Hefting merkt op, dat Breitners toestand in Elspeet verslechtert en dat hij eind 1892 in Amsterdam in het ziekenhuis wordt opgenomen. Behalve aan Van der Weele schrijft Breitner vanuit Elspeet ook briefjes aan de heer Groesbeek, die in dienst is bij kunsthandelaar Van Wisselingh.
Hefting (1977: brief 20): "Ik zal wel eens overkomen en 't is bepaald noodig voor me dat ik eens de stad uitga, want ik heb malaria en zooals je weet gaat die van Kinine, dat ik gebruik toch niet helemaal weg. Maar ik zit geweldig zonder geld en ik geloof niet dat ik er ooit boven op kom. Nu, na Groeten aan je vrouw en kindertjes. Ik wou dat ik ook getrouwd was."
Hefting (1977: brief 27): "In Den Haag zijnde heb ik geen gelegenheid gehad bij U aan te komen. Onze tijd was erg bezet. Nadat ik me omstreeks 6 uur plotseling heel onaangenaam aangedaan voelde, ben ik thuis komende door een soort (...) vervelend geworden, zoodat ik 's morgens de grootste moeite had om de meid open te doen. Ik heb dadelijk naar mijn docter gezonden en nu wordt ik door twee Docters behandeld. Zij zeggen dat 't lang kan duren eer ik weer beter ben."
Hefting (1977: brief 29): "Ik ben veel beter, maar ik ben ontzettend slap. Ik kan nog niets doen van beteekenis. Je schrijft me dat je een atelier heb laten bouwen. Met wie? En hoe zit dat?" (Uit de laatste zinsnede zou men kunnen opmaken, dat 'Atelier Bossenbroek' in opdracht van Van der Weele is gebouwd. De schuur of 'het atelier' is gebouwd in opdracht van Gerrit Bossenbroek in overleg met Van der Weele. Gerrit Bossenbroek is de eigenaar van 'het atelier'. K.R.)
In een volgende brief (Hefting 1977: brief 30) komt dan het verzoek van Breitner of hij over het atelier kan beschikken. "Kunt ge me ook opgeven zoowat precies wanneer ik over het atelier zou kunnen beschikken. Zou het bijv. over 14 daag kunnen zijn. Iedere dag gaat het beter met me. En hoelang blijv. T.M. en M. nog, heel lang, of is het misschien aardig om met hen samen 't atelier te hebben. Hoelang blijven ze nog. Ik heb zoo'n idee dat 't niets voor me is. Zou ik er kleine schilderijtjes kunnen maken naar de natuur?" (Het atelier is zomer 1982 waarschijnlijk in gebruik bij Ter Meulen = T.M. en Willy Martens = M; beiden Haagse collega's van Van der Weele. K.R.) Zelfportret van G.H. Breitner, 100 x 190 cm. In welke maand van het jaar 1892 Breitner bij 'Bossenbroek' in Elspeet komt logeren en het atelier Herkomst foto: in gebruik neemt, is niet precies bekend. Het zal in de maand augustus geweest zijn. In de hierop Catalogus Breitner, volgende brief geeft Breitner een 'verslag' aan de familie Van der Weele over zijn ervaringen in Museum Boymans-van Beuningen, Elspeet. De minder vleiende uitspraken, die hij doet over het hotel, het dorp en zijn inwoners zullen Rotterdam. voortvloeien uit zijn ziekte.
Breitners oordeel over Elspeet Hefting (1977: brief 32): "Amice, Hoe maakten jelui het toch met het eten hier in Elspeet. Tot nu toe heb ik niets gehad dan snippertjes rookvleesch. Merkwaardig, gisteren een groote biefstuk, door en door gaar, hoor, zoo taai, dat ik er 's nachts maagpijn van heb gehad. Eieren die zijn goed, maar je kunt toch geen eieren alleen eten. Doe me dus het genoegen en zend me wat blikjes sardientjes, 3 of 4, met een mes om ze open te maken,een fleschje goede ansjovis. Ik zou haast zeggen doe er een rolletje ham bij van Noach van een gulden of 3, dan zal ik het je per postwissel overmaken, het bedrag dat je voor mij uitgeeft. Meld me ook, bij wat voor soort menschen ik ben (Breitner informeert naar de familie Bossenbroek. K.R.) en welke lui zoal voor je geposeerd hebben. `t Is hier een saaie soort van menschen. Ik vind het hier heel mooi, maar ik geloof niet dat het iets voor me is. De volgende week zal ik zien hoe het gaat. Gaat het niet dan schuif ik naar Drenthe, dat vind ik veel mooier. Ossen heb ik nog niet gezien, waar zitten die beesten. Gisteren zien ploegen met paarden. Geen ossen. Vanmorgen koeien gezien, maar geen ossen." Dat Breitner heeft zien ploegen met paarden wijst erop, dat de rogge-oogst binnen is. Dat zal ongeveer eind augustus zijn. Waarschijnlijk is Breitner omstreeks die tijd (aug. 1892) in Elspeet gearriveerd. De volgende brief aan de familie Van der Weele is gedateerd 20 december 1892. Breitner is dan alweer in Amsterdam. Zijn verblijf in Elspeet zal drie of vier maanden geduurd hebben. Breitner vervolgt zijn brief: "En wat zijn de vrouwen hier leelijk, ..., 't zijn harken. Eer ik daar iets in zie, en de kerels hebben zulke gemeene slim brutale bakkessen als de Scheveningers, irritante lui. Enfin, ik hoop in ieder geval een paar buitenstudies te maken. Zend jij maar wat levensmiddelen. In afwachting, na hartelijke groeten ook aan je vrouw."

'Atelier Bossenbroek' Breitner heeft het atelier, waar Van der Weele het beheer over heeft en dat hij in 1892 enige maanden heeft mogen gebruiken, slordig achtergelaten. Van der Weele heeft Breitner daarover aangesproken. Breitner is door die aanmerkingen nogal aangebrand, zoals blijkt uit de brief (Hefting 1977: brief 43) die hij in 1893 aan Van der Weele stuurt.
"Amice, Gisteren toen je me vertelde van Bossenbroek en dat wij alles wat ik had achtergelaten zoomaar had laten staan, dacht ik er zoo gaauw niet om, maar naderhand vond ik het toch niet erg aardig van je, dat je toen je toch daar waart niet gezorgd hebt dat die boel opgeruimd en mij op gestuurd werd. 't Was een kleine moeite geweest, want ik weet natuurlijk niet alles wat ik daar achterliet, en als ik het dien man schrijf, laat hij misschien toch de helft staan. Geef mij nu eens op wat er zooal zoo is, dan zal ik het hem schrijven."
Het is niet bekend, wie het atelier tenslotte heeft opgeruimd, evenmin of Gerrit Bossenbroek hem zijn materialen heeft toegezonden. Er is geen werk van Breitner bekend, dat in Elspeet gemaakt is.
Vanuit Elspeet schrijft Breitner zeven brieven aan de heer Groesbeek van de kunsthandel Van Wisselingh in Den Haag. Een is gedateerd october 1892: "Amice, Vanmiddag ben ik dan eindelijk hier in Nunspeet (Moet zijn Elspeet. K.R.) alles is doornat. Geen enkel weggetje is begaanbaar en ik moet zeggen dat als ik geen beteren indruk (krijg) ga ik hier vandaan naar Drenthe. Wat ik van de menschen gezien heb vind ik leelijk. Daarom dat ik bijna alles heb vergeten en als ik volgende week niets vind, ga ik weg."
De volgende briefjes bevatten een stroom van opdrachten aan de heer Groesbeek. Hij moet Breitner van alles sturen: spons, zeep, pennen, penhouders, schoenen, verf, kranten enz. Breitner geeft bij een aantal van deze artikelen een uitvoerige beschrijving met tekeningen geillustreerd. Daar tussen door schrijft hij opmerkingen als: "het bevalt me nog niet (...) ik heb hier nog niets uitgevoerd, gedeeltelijk door het weer, gedeeltelijk doordat ik nog niets gevonden heb. Ik ga hier 's avonds meest 8 of 9 uur naar bed en ben 's morgens om 7 uur op. 't Eten is hier allerberoerdst, maar je eet er toch van. Maar als 't wat goeds was, dan zou ik het verslinden." Even later is hij zeer tevreden en schrijft dat "het heerlijk is nu en prettig." Tijdens zijn verblijf in hotel Bossenbroek komt Ter Meulen hem een keer opzoeken.
De 'fietsengeschiedenis' De briefwisseling tussen Breitner en Van der Weele gaat door tot 1917. Van 1893 tot 1896 komt in een aantal brieven van Breitner de velocipede van Breitner ter sprake. Die 'fietsengeschiedenis' begint met een briefje, dat Herman (de zoon van Van der Weele) hem stuurt met het verzoek om de fiets te mogen lenen (1893). De `jonge Herman' is in 1879 geboren en is dus een jongen van 14 jaar. De brief van deze knaap heeft Breitner nogal aan het schrijven gezet!
Het geschrijf van Breitner over zijn fiets begint in 1893 en gaat door tot 1896. In dat jaar schrijft Breitner zes brieven aan Van der Weele, die vrijwel steeds handelen over de verkoop van zijn fiets. Van der Weele, die de fiets onder zijn beheer heeft, kan hem eigenlijk niet gebruiken. Zoon Herman's animo voor de oude velocipede is inmiddels ook verdwenen. Op Breitners verzoek moet Van der Weele dan maar proberen de fiets in Elspeet of omgeving kwijt te raken. Daar heeft men weinig belangstelling voor het vehikel.
In een brief van juli 1896 schrijft Breitner: "'t Spijt me te hooren dat de kenners in Uddel zo slecht over de fiets oordelen en dat jij hem niet gebruiken kunt. Ik zal dus het voorstel van die mijnheer Dijkgraaf maar aannemen, als je je ten minste belasten wilt met de inning en overzending der gelden. Maar zie eerst of je niet wat meer kunt krijgen, f. 35 of zoo, want het is eigenlijk belachelijk weinig."
Correcties van enkele fouten en misverstanden Uit de brieven van Breitner aan Van der Weele blijkt, dat Breitner nogal moeite heeft met de stijl en grammatica van de Nederlandse taal. De naam van de hotelhouder Gerrit Bossenbroek wordt door hem afwisselend geschreven als: Bosbroek, Boschebroek en Bosschebroek.
Ook Paul Hefting (1977) gaat de fout in als hij schrijft: "Hoewel de nabije omgeving van Den Haag in die tijd nog zeer landschappelijk was, had Herman van der Weele ook een atelier laten maken van een boerenschuur in Elspeet. Dit kleine buiten heette 'Bosschebroek' en Breitner zocht daar in de jaren '90 rust en genezing, zoals uit de brieven nog zal blijken."
Gerrit Bossenbroek laat het 'atelier' (de schuur) bouwen en niet Herman van der Weele. Het is in geen geval een boerenschuur, maar een opbergruimte voor hotelmateriaal tevens geschikt om te worden gebruikt als atelier. Het kleine 'buiten' is slechts een gemetselde schuur achter in de moestuin van hotel Bossenbroek. Ook Hefting schrijft de naam van het hotel fout: het hotel heet niet Bosschebroek maar 'Bossenbroek'.

Breitners klachten over het eten van hotel Bossenbroek Breitner is een stedeling (Rotterdam-Den Haag-Amsterdam). Hij is niet gewend aan de gewone, maar toch degelijke 'boerenpot, zoals die in hotel Bossenbroek wordt opgediend. Normaliter verkeert hij (meestal zonder een cent op zak) met dichters, schrijvers en schilders uit de goede milieus in het artiestencafe Die Port van Cleve (Amsterdam), waar hij behalve van de borrels en mooie vrouwen, ook van de lekkere hapjes zal hebben genoten.
Hij is ziekelijk en humeurig, het weer is slecht en het werk wil niet vlotten, daarom klaagt hij snel en veel. Hij is sterk egocentrisch gericht en maakt voortdurend ongemotiveerde verwijten, zelfs tegenover zijn beste vrienden en 'beschermers'. Hij heeft bijna altijd gebrek aan geld. Naast zijn geniale kwaliteiten als kunstenaar is hij een `lastig' mens. Hij handelt vaak als een verwend kind, nukkig en met weinig gevoel voor zijn medemens.
Zijn voortdurende klachten over het eten in hotel Bossenbroek zijn zeker ongemotiveerd. Je kunt in een klein boerendorpje zonder winkels geen sardientjes en ansjovis verwachten, maar wel het beste voedsel van het boerenland: scharrelvlees, scharreleieren, verse groenten uit eigen tuin alsmede de fijnste voortbrengselen van de vrije natuur: vossebessen, bosbessen, cantharellen enz. Breitner heeft het degelijke hotel Bossenbroek onverdiend in discrediet gebracht.

G.H. Breitner heeft zo'n drie maanden in Elspeet doorgebracht. Hij is na Vincent van Gogh de beroemdste Nederlandse schilder van de negentiende eeuw. Hij is de grondlegger van `De Amsterdamse School'. Zijn werk is van onschatbare waarde. Zijn verblijf in Elspeet heeft daar geen invloed op gehad. Misschien, dat tijdens zijn ziekte in hotel 'Bossenbroek' zijn kreatieve geest wat tot rust is gekomen en zich heeft kunnen concentreren op de enorme `aanvar, die hij daarna zal doen op Amsterdam. "Zijn overgave in die jaren (Na Elspeet. K.R.) is roekeloos, machtig en hoogmoedig. Breitner hoort niet thuis in Elspeet. Hij heeft er niets gemaakt, laat staan er iets veranderd...

De gemeente Nunspeet heeft in een nette burgermansbuurt een keurige G. Breitnerstraat!

Bron: Kunstenaars op de Veluwe 1880 – 1980 door K. Roodenburg

Wie is online?

We hebben 38 gasten en geen leden online